Beste premier

Alleen Thorbecke en Drees waren groot staatsman

Door Arthur van Leeuwen en Ruud Deijkers - 15 februari 2017

Thorbecke en Drees verdienen als enigen het predikaat ‘groot staatsman’ zegt een jury van deskundigen. Elsevier vroeg hun om alle premiers sinds 1848 te beoordelen op hun daden. Lessen voor Rutte en zijn opvolgers.

Hoe zou Thorbecke zich hebben gehouden in de Tweede Wereldoorlog? Had Drees in de negentiende eeuw kunnen uitgroeien tot grondlegger van de constitutionele monarchie? Was Balkenende in staat geweest het land door de crisis van de jaren dertig te loodsen? En wat had Kuyper, grondlegger van de verzuiling, gedaan in de sixties?

Het zijn even intrigerende als imaginaire uitstapjes in de vaderlandse geschiedenis. Een premier dient te worden beoordeeld ­tegen het decor van zijn tijd, maar de vraag blijft toch: welke verdiensten plaatsen hem voorgoed in de historie – en wie verdwijnt uit beeld? Elsevier legde aan een jury van 36 historici, politicologen, staatsrechtdeskundigen, oud-topambtenaren en parlementair journalisten de vraag voor om alle premiers sinds 1848 te beoordelen, en wel aan de hand van vijf kwalificaties: groot staatsman, bijna groot staatsman, gemiddeld, zwak en mislukt.

Ruim elf jaar geleden hield Elsevier dezelfde rondvraag over de premiers vanaf 1922. Dat was het jaar waarin het tweede kabinet-Ruijs de Beerenbrouck aantrad, het eerste na algemene verkiezingen voor mannen én vrouwen. Voorbeeld is een onderzoek van de Amerikaanse historicus Arthur Schlesinger, die sinds 1946 meer dan eens alle Amerikaanse presidenten vergeleek.

Groot staatsman

Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872) en Willem Drees (1886-1988) zijn met afstand de enige twee Nederlandse premiers die van de jury het predicaat ‘groot staatsman’ krijgen. Thorbecke domineerde een kwart eeuw de politiek en gold in zijn eigen tijd al als staatsman, stelt politiek historicus Remieg Aerts. En historicus Jo Tollebeek zegt: ‘Hij blijft hoe dan ook de architect van de parlementaire democratie, de man die Nederland op politiek vlak de moderne tijd binnenleidde.’ Maar verscheidene juryleden memoreren dat Thorbecke nooit zijn Grondwet erdoor had kunnen krijgen zonder het voorwerk van Dirk Donker Curtius.


Klik hier voor een toelichting bij het onderzoek en de motivaties van de juryleden.

‘Drees steekt met kop en schouders uit boven de andere naoorlogse premiers, zowel voor wat betreft zijn optreden binnenslands alsook in de internationale betrekkingen,’ stelt staatsrechtdeskundige Paul ­Bovend’Eert. Oud-topambtenaar Rein Jan Hoekstra vindt Drees te prijzen ‘omdat hij moed en doorzettingskracht heeft getoond bij de financieel-sociaal-economische herordening van de maatschappij.’ Waarbij hij Lubbers van ongeveer gelijke waarde schat.

Twee grote staatsmannen is een wat magere oogst voor anderhalve eeuw, maar gelukkig brengen negen kandidaten het tot ‘bijna groot staatsman’. In de negentiende eeuw zijn dat Nicolaas Pierson, Jan Heemskerk en het duo Floris van Hall en Dirk Donker Curtius. Daarmee ligt direct een kwestie op tafel. Want tot 1901 was geen sprake van één premier, minister-president of eerste minister. Het kabinet kreeg doorgaans de naam van een of twee drijvende krachten, terwijl het voorzitterschap van de ministerraad rouleerde als een soort corvee.

Na 1901 komen vijf premiers naar voren als ‘bijna groot staatsman’. Dat zijn Pieter Cort van der Linden – die het land door de Eerste Wereldoorlog leidde, de schoolstrijd beslechtte en het algemeen kiesrecht voorbereidde – en Hendrik Colijn, die de crisis van de jaren dertig moest intomen. Dichter bij het heden staan Piet de Jong, Ruud Lubbers en Wim Kok.

Monument

Er is een goede reden om de enquête uit 2005 te herhalen. De afgelopen tien jaar verschenen vele biografieën en studies van de politieke geschiedenis. De vorig jaar overleden politicoloog Hans Daalder en Jelle Gaemers volbrachten een levenswerk over Drees, en ook Kuyper, Gerbrandy, De Geer, Den Uyl, Van Agt en Biesheuvel kregen hun monument. Al die nieuwe kennis kan de oordelen wijzigen.

De liberaal Cort van der Linden (1913-1918) viel eerder buiten het tijdperk en voegt zich nu als hoogst genoteerde bij de bijna-grote staatslieden. Kok trad toe tot ditzelfde gezelschap, maar Pieter Gerbrandy zakt nu af tot boven in de middenmoot. Opmerkelijk is dat twee premiers die tien jaar terug als ‘mislukt’ golden, Dirk Jan de Geer en Vic Marijnen, een milder oordeel ten deel valt: zwak. Maar wel in de wetenschap dat in de uitslag geen enkele ‘mislukte’ minister-president meer staat. De twee houden nu Barend Biesheuvel gezelschap. Jo Cals steeg uit de ziekenboeg naar ‘gemiddeld’.

Wat maakt een minister-president tot staatsman? Uit de commentaren van juryleden zijn, soms impliciet aan de waardering voor hun favorieten, eisen af te leiden. Een minimumkwalificatie luidt dat de premier een bekwaam kabinetsleider moet zijn, een sterke voorzitter met als het even kan een natuurlijk overwicht op de collega-ministers. Wat binnen de Nederlandse verhoudingen ook vraagt om enige bescheidenheid. Liefst moet hij boven de belangen van zijn eigen partij uitstijgen. Het helpt altijd als hij ijverig is en nauwgezet, en zonder politieke intuïtie gaat het snel mis.

Hoe ambt van premier sinds 1848 ontstond1848 – Met de invoering van de Grondwet van 1848 wordt het praktijk dat de sterkste minister erkend ‘eerste onder zijns gelijken’ is en naamgever van het kabinet. Het voorzitterschap van de ministerraad rouleert meestal.

1901 – Abraham Kuyper is de eerste die zichzelf als voorzitter en boegbeeld van de ministerraad opwerpt. Tot dan kende Nederland geen ‘minister-president’ of ‘premier’.

1945 – Van 1901 tot 1945 blijft het gewoonte dat één minister, vaak de formateur, de ministerraad voorzit. In 1945 groeit die rol uit tot een door de Koning benoemde ‘minister-president’.

1983 – Sinds 1983 staat de bepaling in de Grondwet: ‘De minister-­president is voorzitter van de ministerraad’. Over de invulling van het ambt is verder niets te vinden.

1994 – Per Koninklijk Besluit van 2 maart 1994 is een reglement van orde voor de ministerraad vastgesteld waarin wel taken en bevoegdheden voor de premier zijn vermeld:
> De minister-president is belast met de coördinatie en organisatie van de ministerraad, en stelt de agenda vast.
> Hij zit ook onderraden op specifieke beleidsterreinen voor, om de eenheid van regeringsbeleid te bewaren.
> Staken de stemmen in de ministerraad, dan geeft de stem van de minister-president de doorslag, evenals bij competentietwisten tussen ministers.
> De minister-president ziet toe op de uitvoering van besluiten.
> De minister-president blijft evenwel ‘eerste onder zijns gelijken’; collega-ministers zijn formeel niet aan hem ondergeschikt.

Vruchtbare samenwerking

‘Onder alle omstandigheden zal hier de minister-president iemand moeten zijn, die het als zijn taak beschouwt in het kabinet een teamgeest te wekken en in stand te houden, waardoor een vruchtbare samenwerking ook bij uiteenlopende inzichten mogelijk is.’ Het zijn de woorden van Drees zelf, in het glasheldere werkje De vorming van het regeringsbeleid. Waarin een groot staatsman bescheiden kan zijn. Om de rol van de minister-president te typeren, verwees hij – als eerste? – naar de bijnaam van verzetsheld Walraven van Hall, de ‘olieman’ .

Een bekwaam premier hoeft nog geen staatsman te zijn. Om een ereplaatsje in de vaderlandse geschiedenis te verwerven, telt minimaal een onbetwist politiek leiderschap. Dat hij in woelige tijden voor stabiliteit zorgt, dan wel richtinggevend is in ­cruciale politieke kwesties. Moed, durf, ­vindingrijkheid, balanceerkunst en doorzettingsvermogen zijn meer dan eens genoemde voorwaarden. Dan komen premiers als Colijn, Cort van der Linden, Lubbers en nu ook Kok in beeld. En, steeds hoger gewaardeerd, Piet de Jong.

Een groot staatsman, dat is pas iemand die zijn stempel zet op de natie. Zoals Thorbecke, die met de Grondwet van 1848 de basis legde voor de huidige constitutionele ordening. Zoals Drees, die in politiek complexe tijden de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog gestalte gaf en de basis legde voor de verzorgingsstaat Nederland van nu.

Visie en courage

Grote staatsmannen, zegt een van de juryleden, ‘zijn politici wier invloed nog generaties na hen doorwerkt’ of zichtbaar is in de instituties en politieke opvattingen die zij veranderden, ‘veranderaars van het sociale contract’. Een staatsman, stelt een ander, begrijpt de ‘opdracht van zijn tijd’. De ideale premierskandidaaat is, kortweg, een man van ‘visie en courage’.

Toch, Nederland blijft te klein voor groot staatsmanschap naar internationale normen. Geen Churchill, geen De Gaulle, geen Adenauer. Drees, zegt historicus Doeko Bosscher, ‘was zo groot als Nederland kon zijn, en helaas bleef dat vrij klein’.

Zo ligt er een dik eisenpakket voor premier Rutte en zijn opvolgers. Parlementair historicus Joop van den Berg, co-auteur van De eerste honderdvijftig jaar parlementaire geschiedenis van Nederland 1796-1946 en zelf oud-parlementariër, ziet het ambt steeds zwaarder worden. Op nationaal niveau de bescheiden eerste onder zijns gelijken blijven, maar tegelijk voorbij de grens optreden als regeringsleider in Europa en lid van de Europese Raad. ‘De sociale media laten hem geen moment met rust. Dat deden de klassieke media evenmin, maar minder snel. Juist dan is het des te bewonderenswaardiger als een premier in eigen land het hoofd koel weet te houden en vrede weet te stichten.’

Evenwicht bewaren

Rutte blijft buiten deze competitie omdat hij nog steeds in functie is. Maar Van den Berg waagt alvast een blik vooruit: ‘Mark Rutte heeft het er niet gemakkelijk mee, zeker met een regelmatig hysterische Tweede Kamer, maar slaagt er toch op bewonderenswaardige wijze in het evenwicht te bewaren. Daarmee is hij bezig een waardig opvolger van Ruud Lubbers te worden. De vaderlijke uitstraling van Wim Kok zal hem wel nooit zijn gegund. Kwestie van leeftijd en rimpels ’

Eerst maar eens verkiezingen. Van den Berg zei dit voordat de bonnetjesaffaire justitieminister Ard van der Steur velde, en de premier plots de turbulentie in vloog. De woorden van historicus Johan van Merriënboer, biograaf van Sicco Mansholt en net begonnen aan Lubbers, konden niet beter van toepassing zijn: ‘Alles goed en wel, maar de Tweede Kamer is natuurlijk de baas.’

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.