Amerikaanse ministers

Christian Herter (1959-1961): de gemankeerde kunstenaar

Door Rik Kuethe - 17 mei 2017

Nadat John Foster Dulles vrijwel in het harnas was gestorven, werd het ministerschap van Buitenlandse Zaken gedurende de laatste jaren dat Dwight Eisenhower president was, van 1959 tot 1961, vervuld door Christian Herter.

Herters onderdompeling in de internationale betrekkingen begon al vroeg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), diende hij op de Amerikaanse ambassades in Berlijn en Brussel. In die laatste stad was hij, 22 jaar oud, zes weken lang hoofd van de diplomatieke missie wegens ziekte van zijn chef.

Christian Herter werd op 28 maart 1895 geboren in Parijs uit Amerikaanse ouders, die beide beeldend kunstenaar waren. Aanvankelijk ontwikkelde hun zoon zich in dezelfde richting. In 1915 schreef hij zich in aan de New York School of Fine and Applied Arts. Maar gaandeweg kwam Herter erachter dat hij op de verkeerde weg zat.

Nadat een oud-klasgenoot, die voor de buitenlandse dienst had gekozen, hem daarvoor enthousiast had gemaakt, meldde Herter zich ook voor de diplomatieke dienst. Zonder enige voorbereiding werd hij naar Berlijn gestuurd. Daar kon hij de stuiptrekkingen van de Grote Oorlog als het ware aan den lijve ondervinden. Toen de Verenigde Staten zich in 1917 in de strijd mengden, keerde Herter terug naar zijn land met de bedoeling om dienst te nemen in het leger. Maar hij werd afgekeurd. Daarop aanvaardde hij het aanbod van de minister van Buitenlandse Zaken Robert Lansing om op het State Department te komen werken. Daar hield hij zich nog dat jaar bezig met de ruil van krijgsgevangenen en de repatriëring van geïnterneerde vreemdelingen.

Steenrijk getrouwd

Dat jaar voltrok zich ook een grote verandering in zijn privéleven. De jonge diplomaat trouwde de erfgenaam van een oliefortuin en hoefde vanaf dat moment nooit meer voor het geld te werken.

Toen de wapens eindelijk zwegen, scheepte Herter zich, met de rest van de Amerikaanse delegatie, in voor de Vredesconferentie van Parijs (1919). Daar hield hij zich vooral bezig met het redigeren van het handvest van de Volkenbond. Groot was zijn teleurstelling toen de Senaat het verdrag verwierp.

In de daaropvolgende jaren schaarde Herter zich onder de vleugels van de barmhartige minister van Handel en latere president Herbert Hoover. Vervolgens nam hij een duik in de politiek. Hij kwam in het Huis van Afgevaardigden van het deelstaatparlement in Massachusetts en werd later gouverneur van die liberale staat.

Dikke lagen ambtenarij

Na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) werd Herter een overtuigd aanhanger van de Trumandoctrine en een groot pleitbezorger van het Marshallplan en de NAVO, het jonge trans-Atlantische bondgenootschap.

In 1957 werd Herter staatssecretaris van Buitenlandse Zaken onder John Foster Dulles. Dat bleek slechts een matig genoegen, want behalve ontwikkelingshulp hield de minister de zaken in eigen hand. Herter, zo schreef The New York Times, was de tweede man op een departement dat door één man werd gerund.

Herters belangrijkste taak was het voorzitterschap van de Operations Coordinating Board (OCB). Deze raad had Dwight Eisenhower onmiddellijk na zijn aantreden als president (1953-1961) in het leven geroepen met het doel dat presidentiële besluiten niet in dikke lagen ambtenarij bleven steken. Aanvankelijk lukte dat tamelijk goed, maar toen Herter vier jaar na oprichting van de raad aantrad als staatssecretaris, liepen initiatieven van het Witte Huis dikwijls vast in het saboterende gedrag van bijvoorbeeld het Pentagon en de CIA. De zo hard nodige ommekeer kon Herter niet teweegbrengen.

Minister-plaatsvervanger

Christian Herter. Foto: Wikimedia
Christian Herter. Foto: Wikimedia

Omdat Dulles’ gezondheidstoestand steeds slechter werd, verving Herter hem acht maanden. Toen Dulles in april 1959 zijn functie niet langer kon uitoefenen, was Herter zijn logische opvolger voor de twee jaar die president Eisenhower nog te gaan had. Hij kwam met vlag en wimpel door de goedkeuringsprocedure in de Senaat. Geen enkele Senator stemde tegen.

De grootste zorg voor de Amerikanen was de toestand in en rond Berlijn. Jozef Stalin mocht dan al enige jaren dood zijn, zijn opvolger Nikita Chroesjtsjov voerde een minstens even riskant buitenlands beleid ten aanzien van de gespleten hoofdstad van het verdwenen Duitse Rijk.

In november 1958 hadden de Sovjets de Amerikanen, de Britten en de Fransen een ultimatum gesteld. Zij kregen een half jaar de tijd om te vertrekken. De status van Berlijn, zo zei Chroesjtsjov, liep te veel uit de pas met die van de Deutsche Demokratische Republik (DDR) – het communistische Oost-Duitsland. De Sovjets pasten de methode van het wisselbad toe. Zo beweerde minister van Buitenlandse Zaken Andrej Gromyko in één en dezelfde rede dat Moskou de drie westerse mogendheden helemaal geen ultimatum had gesteld, maar dat zij konden rekenen op een ‘Grote Oorlog’ als ze aan Berlijn bleven vasthouden.

Meer dan een invaller

In februari 1959 vloog de Britse premier Harold Macmillan voor verkennende besprekingen naar Moskou. In zijn bijdrage over Herter in de verzamelbundel American Statesmen herinnert William Brands eraan dat voor velen deze trip verdacht veel leek op die van de toenmalige Britse premier Neville Chamberlain in september 1938 naar München. Macmillan zou veel te toegeeflijk gezind zijn jegens de dictator.

In een topconferentie over Berlijn zagen de Amerikanen niet veel. De NAVO-landen, die toen nog hun zetel hadden in Parijs, lieten weten dat een regeling met de Sovjets uitsluitend vorm kon krijgen in het kader van de Duitse hereniging door vrije verkiezingen. Bovendien zou een herenigd Duitsland mogen kiezen bij welk bondgenootschap het zich eventueel wilde aansluiten. Een lange impasse volgde.

Langzaam werd duidelijk dat de Sovjet-Unie geen enkele zin had in een ‘Grote Oorlog.’ Begin augustus 1959 kwamen Moskou en Washington een bezoek van Chroesjtsjov aan de Verenigde Staten overeen. Hierdoor verdampte de crisis als het ware. Gedurende deze gehele periode van confrontatie had Herter zich uitstekend geweerd. Niemand zag hem nog als een invaller.

Sovjets boos de zaal uit

In de zomer van 1960 zou Eisenhower een tegenbezoek aan Moskou brengen. Enkele weken daarvoor was Washington in ernstige verlegenheid gebracht doordat de Sovjets een U-2 (Amerikaans spionagevliegtuig) hadden neergehaald en de piloot Gary Powers levend in handen hadden gekregen. De Amerikanen logen over de toedracht en werkten zich steeds verder in de nesten. Op de topconferentie van de vier grote mogendheden in 1960 in Parijs liepen de Sovjets vanwege deze kwestie de zaal uit.

Hoewel de ontwikkelingen in Laos en Belgisch-Kongo ook reden tot zorg gaven, was de Cubaanse revolutie toch het neteligste probleem waarmee Herter te maken kreeg. Hij bezag de overwinning van Fidel Castro in 1959 met gemengde gevoelens omdat het regime van diens voorganger, de weliswaar pro-Amerikaanse Fulgencio Batista, zo door en door verrot was geweest. Castro, die niets aan Amerika te danken had, nationaliseerde veel Amerikaanse bedrijven en probeerde het model van zijn revolutie naar andere Latijns-Amerikaanse landen te exporteren.

Herter beschouwde die poging als een groot gevaar voor het Westen. De Cubaanse suikerquota voor de Verenigde Staten werden naar beneden bijgesteld. In de zomer van 1960 was de Sovjet-Unie Cuba’s belangrijkste bondgenoot geworden. Als een van zijn laatste daden verbrak Eisenhower de diplomatieke betrekkingen.

Herters bezoek aan Nederland

1965-02-04 00:00:00 AMSTERDAM: CHRISTIAN A.HERTER(RECHTS), VOORZ. VAN DE AMERIKAANSE DELEGATIE BIJ DE ONDERHANDELINGEN OVER DE KENNEDY-RONDE, EN PROF.WALTER HALLSTEIN, PRES.E.E.G. -COMMISSIE, DRUKKEN ELKAAR DE HAND TIJDENS EEN BIJEENKOMST VAN DE EUROPESE BEWEGING IN DE HOOFDSTAD.
Herter (links) en president van de EEG Walter Hallstein tijdens de Kennedy-ronde in Nederland. Foto: ANP

Tijdens zijn ambtsperiode zou Herter Nederland niet aandoen. Later deed hij dit wel als voorzitter van de Amerikaanse delegatie bij de Kennedy-ronde – de zesde ronde van de Internationale Handelsbesprekingen. Tijdens het bezoek op 4 februari 1965, besprak Herter het verloop van de Kennedy-ronde met de Nederlandse minister van Landbouw Barend Biesheuvel (ARP), minister van Economische Zaken Koos Andriessen (CHU) en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Leo de Block (KVP). Ook hield hij een toespraak in Amsterdam over de Europees-Amerikaanse handelsrelaties, waarin Herter zijn bedenkingen uitte tegen de plannen voor een Europese Politieke Unie van de zes EEG-landen, waaronder Nederland. Herter vroeg zich af of een dergelijke gemeenschap wel open zou staan voor nieuwe leden – waarmee hij op Groot-Brittannië doelde. Ook wilde hij graag weten hoe de verhoudingen er binnen het trans-Atlantische Pact uit zouden zien. Herter had het belang van samenwerking tussen de Verenigde Staten en Europa – ook als oud-minister van Buitenlandse Zaken – steeds duidelijk voor ogen.

Toen Herter bij het aantreden van de regering-Kennedy in januari 1961 het veld moest ruimen, had hij nog vijf jaar te leven. In die tijd vertegenwoordigde hij president John F. Kennedy en later president Lyndon Johnson een aantal keren bij handelsbesprekingen. Ook besteedde hij veel van zijn tijd aan de vrijmetselarij. En Herter was een overtuigd internationalist. In 1943 had hij samen met een ver familielid, Paul Nitze, de nu vermaarde School of Advanced International Studies opgericht.

Herter was tevens een onkreukbaar man, zo heeft hij nooit een regering willen dienen die als corrupt te boek stond. Hij stierf op 30 december 1966 in Washington D.C.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.