Amerikaanse ministers

James Byrnes (1945-1947): sluw en vakkundig

Door Rik Kuethe - 17 mei 2017

James Byrnes was de eerste van de drie ministers van Buitenlandse Zaken die, na het einde van de Tweede Wereldoorlog in augustus 1945, onder president Harry Truman zouden dienen.

Byrnes was in functie gedurende de overgangsperiode waarin de succesvolle samenwerking tussen Washington en Moskou om Hitler-Duitsland te verslaan, overging in de Koude Oorlog met zijn scherpe, ideologische tegenstellingen. De eerdere bondgenoten kwamen tot de tanden toe gewapend tegenover elkaar te staan.

James Byrnes. Foto: Wikimedia
James Byrnes. Foto: Wikimedia

Byrnes werd geboren op 2 mei 1882 in Charleston, South Carolina. Zeven weken eerder was zijn vader aan tuberculose overleden. Vanaf dat moment was schraalhans in huize Byrnes vaak keukenmeester, al was moeder Elisabeth Sweeney redelijk succesvol met haar naaiatelier.

Byrnes heeft het geluk gehad dat er gedurende zijn jonge jaren bijna altijd wel een oudere man was die hem protegeerde. Daardoor kreeg hij toch een goede opleiding. Als jongeling blonk hij uit bij wedstrijden in het steno.

Raciale standpunten

In 1906 trouwde Byrnes de dochter van een rijke hotelier. Twee jaar later won hij zijn eerste race voor een verkiesbare functie, in dit geval die van hulp-officier van justitie. In 1910 won hij als Democraat uit het Zuiden een zetel in het Huis van Afgevaardigden, waar hij zich ontpopte als een steunpilaar voor de Democratische president Woodrow Wilson.

Wat de rassenkwestie betreft, was hij zeker gematigder dan de meeste van zijn kiezers en speelde hij nooit de rassenkaart tijdens een campagne. Toch hield Byrnes in het Huis twee redevoeringen die hem lang zouden achtervolgen. In 1919 beschuldigde hij de zwarten die van het Eerste Wereldoorlog-front terugkeerden en de zwarte leider Dr. W.E.B. Du Bois ervan dat zij een ‘Klein Rusland’ wilden scheppen in het Zuiden. Byrnes bedoelde ongetwijfeld een kleine Sovjet-Unie. Volgens hem moesten zwarten die om raciale gelijkheid vroegen, worden gedeporteerd. Zes jaar later fulmineerde hij tegen het voorstel om de (zwarte) Howard University in Washington D.C. met federaal geld te subsidiëren.

De enige verkiezingsnederlaag die Byrnes ooit leed, was de Senaatsrace in 1924 tegen Coley Blease, een volbloed racist die werd gesteund door de Ku Klux Klan. De Klan had eerder Byrnes zijn steun aangeboden, maar die had geweigerd. Zes financieel voorspoedige jaren volgden.

Politieke opmars

Het gezin verhuisde naar Spartanburg, waar Byrnes partner werd in een lucratieve advocatenpraktijk. In 1930 maakte Byrnes zijn rentree in de politiek door op zijn beurt Blease te verslaan. Dit lukte met de steun van de financier Bernard Baruch. Weldra groeide hij uit tot een van de invloedrijkste Senatoren. Hij werkte hard voor de verkiezingscampagne van Franklin Delano Roosevelt in 1932 en wist geldschieter Baruch ook voor diens karretje te spannen.

Byrnes (zie 1:35 – 1:55) vraagt om spreektijd voor Iran in de Veiligheidsraad omtrent Russische militaire aanwezigheid in Iran. New York, 27 maart 1946.

Hoewel zijn vriendschap met Roosevelt er niet onder leed, groeiden beiden in de tweede helft van het decennium in politiek opzicht steeds meer uit elkaar. Byrnes voerde in de Senaat een conservatieve coalitie aan die uit leden van beide partijen bestond. Deze keerde zich bijvoorbeeld tegen het wetsontwerp over kinderarbeid. Byrnes steunde halfhartig Roosevelts (mislukte) plan om het aantal rechters in het Hooggerechtshof uit te breiden met een lichting hem welgezinde juristen.

Byrnes grote kans kwam na de Japanse aanval op Pearl Harbor (7 december 1941) toen Amerika de asmogendheden, Duitsland, Italië en Japan, de oorlog verklaarde. Byrnes kreeg het toezicht op de gehele oorlogseconomie. Hij stond al spoedig bekend als assistent-president.

Atoombommen

Tot zijn grote teleurstelling gingen in 1944 de post van vicepresident en het ministerschap van Buitenlandse Zaken aan zijn neus voorbij. Byrnes was zo terneergeslagen dat hij overwoog om zijn functies neer te leggen nog voordat de Duitse krijgsmacht geheel was verslagen.

Byrnes, Truman
Byrnes (rechts) schudt de hand van president Truman. Foto: Wikimedia

Toen Harry Truman op 12 april 1945 door de dood van Roosevelt tot het presidentschap werd geroepen, duurde het niet lang of hij benoemde zijn oude mentor in de Senaat tot minister van Buitenlandse Zaken. Byrnes enige ervaring op dat gebied had hij in februari 1945 opgedaan als lid van de Amerikaanse delegatie naar de conferentie van Jalta.

Op 3 juli 1945 legde hij de eed af. Het eerste vraagstuk waarmee hij te maken kreeg, was niets minder dan het al dan niet inzetten van het atoomwapen boven Japan om de oorlog versneld te doen eindigen en zo het leven van tienduizenden Amerikaanse militairen te sparen. Op het gebied van atoomwapens bezat Amerika destijds een monopolie. In Washington gingen stemmen op om die kennis met de Sovjets te delen. Byrnes behoorde tot hen die zich met succes tegen dit idee verzetten.

En zo besloot Truman, met de volle steun van zijn minister van Buitenlandse Zaken, om begin augustus twee atoombommen boven Hiroshima en Nagasaki af te werpen. Het was de eerste en tot nu laatste keer dat dit ultieme wapen ook werkelijk werd gebruikt.

Minister in isolement

742px-soviet_foreign_minister_vyacheslav_molotov_left_shakes_hands_with_secretary_of_state_james_byrnes_before_the-_-_nara_-_198956
Byrnes (rechts) handenschuddend met zijn Russische ambtgenoot Molotov. Foto: Wikimedia

Toen de wapens eindelijk zwegen, was Byrnes vrijwel continu op reis. Advies van de ambtenaren van het State Department – zijn ministerie, waar hij zelden was te vinden – won hij praktisch nooit in. Tot begin 1946 leek hij uit te zijn op de voortzetting van het bondgenootschap met de Sovjet-Unie, een alliantie waarover Truman al eerder zijn twijfels had gekregen.

Tijdens de conferentie van Londen, najaar 1945, draaide de wind van de publieke opinie in de Verenigde Staten. De burgers kwamen steeds wantrouwiger tegenover Moskou te staan. Byrnes opereerde in toenemende mate in een isolement.

Hij kreeg het nog voor elkaar om in december 1945 een ministersconferentie in Moskou te beleggen. Daar stemde hij onder meer in met de oprichting van een atoomagentschap van de Verenigde Naties. Bij thuiskomst wachtte hem een koor van critici. De vooraanstaande Republikeinse senator Arthur Vandenberg sprak van een ‘weggeefpakket’ voor de Sovjets.

Ontmoeting met Nederlandse collega

Truman was gebelgd dat Byrnes hem zo slecht op de hoogte hield, maar zei hem dat aanvankelijk niet. En dan waren er tal van coryfeeën binnen de Amerikaanse buitenlandse politiek, zoals Dean Acheson, George Kennan en Averell Harriman, die slecht met Byrnes overweg konden en probeerden zijn positie te ondermijnen. In de lente van 1946 werd hem het stuur van de buitenlandse politiek steeds meer uit handen genomen.

Zijn enige bespreking met zijn Nederlandse ambtgenoot C.G.W.H. baron van Boetzelaer van Oosterhout had in november 1946 in New York plaats, samen met de ministers van Frankrijk en de Sovjet-Unie. Onderwerp van gesprek was de mogelijkheid van grenscorrecties ten koste van Duitsland. De Amerikanen voelden er niets voor.

Op 9 september 1946, twee maanden voor de ontmoeting in New York, werden de grenscorrecties aan de orde gesteld in de Nederlandse ministerraad. Minister van Buitenlandse Zaken Pim baron van Boetzelaer van Oosterhout verzette zich fel tegen de plannen, gemaakt door het vorige kabinet, waarin forse grenscorrecties ten nadele van Duitsland werden geëist. Om zijn standpunt kracht bij te zetten, bracht Van Boetzelaer de redevoering van James Byrnes – die hij op 6 september 1946 in Stuttgart had gehouden – ter sprake. In zijn speech betoogde Byrnes dat de Duitsers economisch op eigen benen moeten kunnen staan en dat een verdere onttakeling van Duitsland onverstandig zou zijn. Het aanhalen van Byrnes’ woorden mocht niet baten; de ministerraad besloot toch tot het eisen van enkele grenscorrecties.

Ten strijde tegen de KKK

Op 7 januari 1947 legde Byrnes zijn ambt neer. Een sluw en kundig man verliet Washington. Drie jaar later, in 1950, werd Byrnes gouverneur van South Carolina. Hij streed tegen de Ku Klux Klan, maar verzette zich tegen de gedwongen integratie in het onderwijs. Bij de presidentsverkiezingen stemde hij inmiddels bijna altijd op de Republikeinse kandidaat.

Op 9 april 1972 stierf Byrnes thuis een kalme dood, 92 jaar oud. Zijn vrouw Maude volgde dat voorbeeld vier jaar later.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.