Roberta N. Haar

Is de tijd rijp voor een EU-leger?

Door Roberta N. Haar - 04 mei 2018

Vorige week zag Roberta Haar tijdens een conferentie die werd georganiseerd door het Maastricht Student Forum onder de aanwezigen een overweldigende steun voor een EU-leger. Ligt hier een kans?

(For English press here)

De nadruk tijdens het evenement – met de titel De grenzen van het Europees buitenlands beleid – lag op de vraag of de Europese Unie (EU) een gezamenlijk leger moet hebben. De uitslag van stemming onder de aanwezigen kwam overeen met die van de Europese lidstaten, waar gemiddeld zo’n 75 procent voorstander is van een gemeenschappelijk EU-veiligheid- en defensiebeleid.

AmericanDreamersMeld je hier gratis aan voor de Amerika Update, de wekelijkse nieuwsbrief met de laatste ontwikkelingen over de Verenigde Staten. Elke vrijdag in je mailbox.

Heeft de twijfel over de Amerikaanse betrokkenheid bij de NAVO in combinatie met de reële bedreiging van de Europese territoriale integriteit gezorgd voor het beste uitgangspunt sinds 1954 om naar een veiligheids- en defensieunie toe te werken?

Verkeken kans

In 1954 slaagde het Franse parlement er niet in het Verdrag tot oprichting van de Europese Defensiegemeenschap (EDC) te ratificeren. Dit zou de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) hebben aangevuld met een supranationaal Europees leger. Het belangrijkste doel hierbij was om het West-Duitse leger weer te ‘reanimeren’ tot een bolwerk tegen de Sovjets.

De belangrijkste redenen dat de Fransen hun eigen voorstel niet ratificeerden, waren dat Joseph Stalin in 1953 stierf en dat de zes EGKS-leden er nog niet aan toe waren om zulke kernelementen van hun soevereiniteit over te dragen. Doordat de NAVO de rol van grondgebied-verdediger op zich nam, zetten de Europese landen hun onafhankelijke legers, luchtmachten en marines voort.

Hoge kosten zonder resultaat

Tegenwoordig vormen de personeelskosten van die 27 landmachten,
24 luchtmachten en 21 marines het grootste deel van de uitgaven die de lidstaten doen aan veiligheid en defensie. Het tweede grootste deel gaat naar materieel, dat meestal bestaat uit uit elkaar vallende krijgsuitrusting uit de Koude Oorlog. Zo bleek in oktober 2017 dat er geen Duitse onderzeeërs meer operationeel waren, dat Duitse helikopterpiloten niet konden oefenen doordat de meeste van hun toestellen reparatie behoefden en dat de helft van de tanks van de Bundeswehr niet werkten.

Het zal sommige lezers wellicht verbazen dat de gecombineerde uitgaven aan personeel en onderhoud aanzienlijk zijn. Samen geven de EU-lidstaten meer uit aan defensie dan welk ander land ná de Verenigde Staten. In de reflectienota van de Europese Commissie over Europese defensie van juni 2017 stond dat de Europese bondgenoten zelfs veel meer spenderen aan personeel dan de Verenigde Staten (dat op zijn beurt weer meer aan R&D besteedt).

Hoe vallen deze hoge uitgaven te rijmen met legers die ‘vrijwel niet inzetbaar zijn voor collectieve verdediging’, zoals de Duitse parlementaire commissaris voor strijdkrachten begin 2018 concludeerde? Volgens professor Jolyon Howorth, een expert op dit gebied, krijgt de EU simpel gezegd ‘very little bang for its buck’ – te weinig waar voor zijn geld.

Permanent Gestructureerde Samenwerking

Samenvoegen, delen en specialiseren is een mogelijkheid om verspilling van fondsen tegen te gaan. De noodzaak hiervoor wordt reeds onderkend door de lidstaten, die al diverse samenwerkingsinitiatieven begonnen. Zo berichtte de Nederlandse wetenschapper Paul van Hooft onlangs in Atlantisch Perspectief over de ‘clusterbenadering’ van Duitsland. Dat houdt in een door de Bundeswehr geleid netwerk van mini-legers in samenwerking met belangrijke buurstaten. Daaronder zit de Nederlandse 43e gemechaniseerde Brigade, die zich bij de 1e Pantser Divisie van de Bundeswehr voegde, en de Nederlandse 11e Luchtmobiele brigade, die zich aansloot bij de Duitse Rapid Reaction Force.

Misschien wel het meest ambitieuze initiatief is PESCO (Permanent Gestructureerde Samenwerking op het gebied van veiligheid en defensie) dat de Raad van de Europese Unie lanceerde in december 2017. Dit zijn zeventien samenwerkingsprojecten om de defensiecapaciteiten te verbeteren. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, liet weten hiermee ‘immense’ kansen te zien om de Europese defensie efficiënter te maken.

Nog flinke hindernissen

Er zijn tekenen dat de tijd rijp is voor echte Europese defensiesamenwerking. Dat neemt niet weg dat er nog steeds een aantal flinke hindernissen moet worden overwonnen voordat de Europeanen hun eigen verdediging van de NAVO kunnen overnemen. Professor Simon Duke van het European Institute of Public Administration wijst in zijn artikel in European Foreign Affairs Review op verschillende belemmeringen. Zo vraagt hij zich af hoe ‘gemeenschappelijk’ PESCO zal zijn, gezien het vrijblijvende opt-in-stelsel van het samenwerkingsverband. Zou PESCO last kunnen krijgen van hetzelfde probleem over de kostenverdeling als waar de NAVO nu mee te kampen heeft?

Daarbij komt bovendien de vraag hoe de soevereiniteitsgebonden denkwijze van de lidstaten kan worden overwonnen? Het bestaan van 27 verschillende legers wijst op een hardnekkig idee dat een nationale defensie de kern vormt van wat het betekent om een natiestaat te zijn. Dit obstakel staat dan nog eens naast het al even dwarsbomende standpunt van lidstaten als Oostenrijk, Finland, Ierland, Malta en Zweden, dat deelname aan defensiesamenwerking indruist tegen hun idealen van neutraliteit en ongebondenheid.

Hieraan moet worden toegevoegd dat een échte autonome verdediging zal moeten beschikken over een geloofwaardige nucleaire afschrikking, dat onder EU-bevel staat. Wellicht een onoverkomelijk obstakel waartoe de Franse force de frappe – de enige overgebleven nucleaire macht van de EU – niet meer in staat lijkt.

Progressie of toch een stap terug?

In december 2017 was ik aanwezig bij de sessie Doorbraak in Europese Defensiesamenwerking? dat deel uitmaakte van een symposium van de afdeling Beleids- en operationele evaluatie van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Omdat de Chatham House-regels van toepassing waren (deelnemers mogen de informatie te gebruiken, maar de sprekers blijven anoniem) beperk ik mij hier tot enkele algemeenheden.

Aan het begin van de sessie kregen de sprekers en het publiek twee kaarten, een groene en een rode. Er werd gevraagd om een mening te geven over de stelling: ‘Zijn we getuige van een echte doorbraak in de EU-samenwerking op defensiegebied?’ Het publiek hield overweldigend rode kaarten omhoog, terwijl de sprekers groene kaarten opstaken. Tijdens de discussie gaven de sprekers met een militaire achtergrond echter toe dat beide kaarten omhooghouden realistischer was geweest. Eentje gaf zelf toe dat hij dacht dat een rode kaart geschikter was geweest.

Wat kunnen we hieruit leren? Als we de houding en artikelen van vandaag vergelijken met die uit het verleden, zien we progressie op politiek en publiekelijk vlak. Het is echter ook duidelijk dat er om diverse redenen nog geen sprake is van vergaande samenwerking op militair niveau plaatsvindt. Hoe kan het huidige momentum worden behouden zonder formele financiële verplichtingen en zolang PESCO en andere initiatieven vrijwillig blijven? Zeker als president Donald Trump in de toekomst niet langer in het Witte Huis zit. Het is een reële mogelijkheid dat − net zoals in 1954 − het enthousiasme voor een Europese Defensie-Unie afneemt. Niet alleen bij de Fransen, maar ook bij de deelnemers aan een toekomstige Maastrichts Studentenfora.

Wilt u wekelijks het laatste nieuws over Amerika ontvangen? Meld u dan aan voor onze nieuwsbrief van American Dreamers!