belediging

Absurde belastingzaken – Schelden op de fiscus

Door Richard van Boven - 12 april 2018

Belastingplichtigen maken geregeld ruzie met de fiscus, maar het blijft vrijwel altijd beperkt tot mondelinge beledigingen. Het komt praktisch nooit voor dat de gemachtigde van de belastingplichtige helemaal losgaat, en de inspecteur voor rotte vis uitmaakt.

Meld u hier gratis aan voor de Elsevier Weekblad Belasting Update, de wekelijkse nieuwsbrief met het laatste fiscale nieuws, analyses, achtergronden en commentaren. Elke vrijdag in uw postvak.

In een zaak voor Hof Den Bosch gaat een gemachtigde nog een stapje verder door zijn tirades op papier te zetten. De stortvloed van beledigingen gaat daardoor deel uitmaken van de procedure, en het Hof laat haar ongenoegen blijken.

De gemachtigde geeft echter niet op, en blijft de inspecteur, en zijn collega’s, op allerlei manieren beledigen.

Gemachtigde wordt bijna de deur gewezen

Hof Den Bosch vindt het gedrag van de adviseur, die nota bene bij een advieskantoor werkt, echt niet kunnen, en weigert hem bijna de toegang tot de rechtszaal.

De rechter wijdt ruim een bladzijde aan de “ongepaste, onfatsoenlijke en respectloze bejegening” van de Belastingdienst. En dan gaat het nog maar om een deel van de correspondentie met de inspecteur.

Even wat ‘hoogtepunten’. Volgens de adviseur is Nederland “een apenland, een bananenrepubliek waar alleen de palmbomen nog ontbreken” met een “batterij vileine overheidsdienders”. De Belastingdienst is “een georganiseerde misdaadorganisatie met maffiose trekken” waar “Bennie Boef (de inspecteur: redactie) en zijn soortgenoten” druk bezig zijn om zijn cliënt “te belazeren en op te lichten”.

Adviseur wint echter wel de zaak

De adviseur gedraagt zich met zijn kritiek op Nederland, de Belastingdienst en de wetgevende macht verre van professioneel. Gelukkig draait zijn cliënt hier niet voor op, het Hof blijft wél professioneel.

Het gaat om de vraag of er terecht een naheffingsaanslag BPM is opgelegd voor een Volvo die eerst naar Duitsland is uitgevoerd, en ongeveer vier maanden later weer in Nederland is ingevoerd.

Er is bij de uitvoer een BPM-teruggave van bijna 7.000 euro toegekend. Maar de vraag is of de Volvo ook daadwerkelijk is uitgevoerd. De cliënt van de gemachtigde heeft de auto gekocht na de omstreden ‘wederinvoer’, en de inspecteur probeert nu de BPM terug te halen bij de man.

De inspecteur heeft (bijna) geen onderzoek ingesteld naar de ‘uitvoer’. Hij heeft in plaats daarvan gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om de bewijslast bij de man neer te leggen. In de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet BPM) is hiervoor een speciale fictie opgenomen.

Het Hof vindt dat de inspecteur zich er wel heel makkelijk vanaf heeft gemaakt.

Of de Volvo ooit over de grens is gegaan, blijft volkomen onduidelijk. De auto was in de periode tussen uitvoer en wederinvoer namelijk onvindbaar. Volgens het Hof kan dit de man echter niet worden aangerekend, hij krijgt de voordeel van de twijfel.

De inspecteur gaat er blijkbaar vanuit dat de man betrokken was bij de onterechte BPM-teruggaaf, maar het Hof denkt niet aan opzet of medeweten. Het Hof gaat er vanuit dat de uitvoer nooit heeft plaatsgevonden, en vernietigt de naheffingsaanslag BPM. De speciale fictie in de BPM geldt namelijk niet als aannemelijk is dat de eerdere BPM-teruggaaf ten onrechte is toegekend.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.