buitenland

Olympische Spelen op weg naar het einde

Door René de Bok en Jan Heinemans - 15 augustus 2016

Aan de vooravond van de „Super Olympic Games” in Los Angeles wordt de sportieve verbroedering door de politiek verkwanseld. De vroege aftocht van het Oostblok reduceert het evenement tot een Westers gezelschapsspelletje. De toekomst van het Olympisch ideaal lijkt in een doodskleed gehuld.

Het daverend ”NJET” van de Sowjets kwam als een donderslag uit een kristalhelder zwerk. Dit zouden de Spelen worden van de overtreffende trap. Als ooit het onweerlegbare bewijs kon worden geleverd van de veerkracht en de ruggegraat van het kapitalistisch systeem, dan zou het nu moeten gebeuren, in Los Angeles, in het hart van the American way of life. De voorbereidingen logen er niet om, het werd groter, grootser en indrukwekkender dan ooit in de Olympische historie. In de opgepoetste euforie werden minder florissante tekens aan de wand door schreeuwerige reclame-affiches aan het oog van de wereld onttrokken. Maar ze waren er wèl.

De laatste maanden groeide een atmosfeer van Amerikaans nationalisme waarin de “Russische barbaren” slechts de rol van slachtoffer was toebedeeld. Extremistische groeperingen als “Ban the Soviets” begonnen steeds agressievere taal uit te slaan: “Watch our guys beat the hell of them damned Russkies”. Badges kwamen in omloop met teksten als: “Kill a Russkie”. En intussen was het veiligheidsprobleem wel degelijk een kwestie die de nodige zorgen baarde. De afstanden tussen de sportlocaties en de verblijfplaatsen van de atleten overschreden de veiligheidsmarge variërend van 30 tot bijna 200 kilometer. De organisatoren hebben daarover langdurig slag geleverd met de regering in Washington. Na veel vijven en zessen kwamen er wat concessies los, extra mankracht voor de beveiliging van officials en atleten.

De Sowjets ging het allemaal lang niet ver genoeg. Nadat de onderhandelingen in maart van dit jaar een dieptepunt hadden bereikt, besloot het hoogste politieke orgaan van de Sowjet-Unie, het Politburo, in een vergadering op 2 mei de knoop door te hakken. De beslissing werd niet langs de gewone weg gelanceerd maar legde – zoals dat vaker’ gebeurt in de Sowjet-Unie

– een grillige route af voordat de “boycot-actie” via persbureau Tass wereldkundig werd gemaakt. Insiders voorzagen al enkele weken wat zou gebeuren, een stroom ingezonden brieven in de Prawda en Izwestia wees duidelijk in de richting van een negatief besluit: we moeten niet gaan want onze atleten lopen gevaar…

In het Westen is het Russische besluit als het intreden van een onverwacht koufront bestempeld. De Nederlandse afgevaardigde van het Internationaal Olympisch Comité IOC Cees Kerdel begrijpt het allemaal niet: “Vier jaar lang hebben we met alle deelnemende landen gesproken. Los Angeles leverde elk jaar een progress report waarin alle punten, veiligheid, locatie en commercie, steeds ter sprake zijn gebracht. De Russen hebben nooit bezwaren gehad. Wanneer ze nu pas zeggen: vercommercialisering, vrees voor demonstraties en onveiligheid, dan is het vreemd dat ze daarover nooit eerder zijn begonnen.”

Kerdel heeft geen ongelijk wanneer hij vraagtekens plaatst achter de motieven die de Sowjets voor de boycot-actie in de openbaarheid hebben gebracht. Noch de commerciële annexatie van de Spelen, noch de veiligheid bij demonstraties spelen een dominante rol, of het risico van het overlopen van Sowjet-atleten naar de kapitalistische vijand; hetzelfde is het geval met het argument dat de Sowjet-Unie Los Angeles mijdt omdat Amerika de Spelen van Moskou heeft geboycot. Te zamen vormen die motieven niet meer dan een fractie van de waarheid. De realiteit ligt aan een ander front. De boycot van de Sowjet-Unie en haar communistische broedervolken is vooral geïnspireerd door de figuur Reagan.

Signalen daarvan waren vorig jaar herfst al in de politieke kanalen van het Kremlin hoorbaar. De Nederlandse parlementaire delegatie die in die dagen in Moskou op bezoek was, kreeg bij herhaling te horen dat de Russen geen enkel initiatief zouden ontwikkelen dat ook maar in de geringste mate tot een herverkiezing van Reagan zou kunnen bijdragen. In eerste aanleg werd daarbij gedoeld op de speculaties over een spoedige terugkeer van de Sowjet-Unie aan de onderhandelingstafel in Genève, waar de twee supermogendheden de reductie van middellange nucleaire wapens bespraken. Geen kans, zeiden de Russen. Zolang die terugkeer als een succes van de Reagan-politiek kan worden opgevat, valt er met ons niet over een terugkeer naar Genève te praten. Het lijdt geen twijfel dat de boycot van de Olympische Spelen in een soortgelijk perspectief moet worden beoordeeld. De Sowjet-Unie voelt er niets voor een rol te spelen in een Olympisch evenement waarvan zij het sterke vermoeden heeft dat het in een Reagan-verkiezingsshow ontaardt. Voor de Sowjets heeft het uitblijven een dubbel effect: aan de ene kant proeven ze de zoete wraak voor de Amerikaanse boycot van Moskou en aan de andere kant steken ze een spaak in het wiel van Reagans herverkiezing.

Als Los Angeles had gegonsd van de anti-Sowjet-demonstraties, had Reagan – zo redeneren de Russen, – aardig op de sentimenten kunnen inspelen en zich ten opzichte van concurrent Mondale in de kijkerd van de Amerikaanse kiezer geplaatst: als verdediger van het vrije Westen, als kampioen van de democratische wereld. De Russen voelen daar niets voor. Door de afwezigheid van het Oostblok zijn de Olympische Spelen van een politieke en sportieve lading ontdaan. Sportief zijn de Spelen tot een tweederangs toernooi gereduceerd: de opgelegde kans voor het Westen om aan te tonen dat „het vrije individu zijn mannetje staat”, en zelfs superieur is aan de „krachtpatsers” uit het Warschau-coIIectief, is verloren gegaan. Zij die in de naïeve veronderstelling verkeren dat “men het met de Sowjet-Unie nog wel op een akkoordje kan gooien,” negeren de moeizame maar onomkeerbare besluitvorming in het Kremlin.

De besluiten komen na ellenlange beraadslagingen tot stand. Maar zijn ze eenmaal getroffen dan is elke pressie, intimidatie of informele diplomatie vergeefs. De steun van de DDR, Bulgarije, Tsjechoslowakije is in dat perspectief een aanwijzing. In Tsjechoslowakije werd begin maart al opdracht gegeven de aanmaak van Olympische kledij van het Tsjechoslowaakse team te stoppen. Er is geen enkel precedent voorradig van een gezamenlijk besluit van Oostbloklanden dat binnen één maand volledig werd teruggedraaid. Het besluit van de Sowjet-Unie is definitief, in weerwil van de dramatische pogingen van de voorzitter van het IOC Juan Antonio Samaranch om president en partijleider Tsjernenko van de goede bedoelingen van Reagan te overtuigen. Zelfs al zou Tsjernenko dit willen, dan nog zou hij gehouden zijn aan het collectief besluit van het Politburo om de Spelen van Los Angeles te mijden.

Opnieuw heeft de politiek het Olympisch ideaal vertrapt. Zoals dat in de historie van de Spelen al ettelijke malen is gebeurd. De lange lijdensweg van het verbroederingsfeest registreert een veelvoud aan dieptepunten. De schermutselingen rond de deelneming dateren niet van vandaag of gisteren: in 1920 en 1924 werden de verliezers van de Eerste Wereldoorlog, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije en Turkije door de organisatoren gepasseerd. Pas in Amsterdam (1928) waren die landen weer van de partij. Het nationalistisch, politieke karakter verwierven de Spelen het eerst in Los Angeles (1932). Van die tijd af werd voor de winnaar het volkslied gespeeld en de nationale vlag gehesen. Dat druiste in tegen de Olympische regels volgens welke er sprake was van een competitie, waarin individuele leden tegen elkaar uitkwamen. Het mocht niet baten en de eerste aanzet tot chauvinistische excessen was gegeven.
In 1936 werden de Spelen voor het eerst grootscheeps voor politieke doelen misbruikt. Berlijn had de toezegging gekregen in een tijd waarin de Weimar-republiek nog aan het bewind was. Hitler gebruikte de Spelen om internationaal prestige te verwerven. In diverse delen van de wereld rees de vraag of het Hitler-regime wel de organisatie van de Spelen kon worden toevertrouwd. Vooral in Scandinavië en de Verenigde Staten gingen stemmen op de Spelen in Berlijn te boycotten. Ten slotte werd het Amerikaans Olympisch Comité opgeroepen een beslissing te nemen.

De Amerikaanse voorzitter Brundage bracht in 1935 een bezoek aan Duitsland.
Hij rapporteerde het IOC dat hij “niets van enige discriminatie van joodse sportbeoefenaren had gemerkt”. Avery Brundage was ontgaan dat nazi’s joden van 1 juni 1933 af het lidmaatschap en de toegang tot sportvelden, sportinrichtingen en zwembaden hadden ontzegd. In 1935 waren bovendien de Neurenberger wetten uitgevaardigd volgens welke joden tot een “minderwaardig ras” werden gerekend, waardoor ze in feite volstrekt rechteloos werden.
Bij de derde Spelen na de oorlog, Melbourne 1956, werd het IOC steeds nadrukkelijker met de grote internationale politiek geconfronteerd.
De Russische inval in Hongarije was voor enkele landen aanleiding de verbroederingsgedachte in Melbourne overboord te zetten. Nederland, Zwitserland en Spanje hielden het voor gezien, China meed de Spelen omdat Taiwan een invitatie had ontvangen terwijl Egypte zich terugtrok uit protest tegen “laffe agressie tegen dat land”. Melbourne was het startschot voor een type Spelen dat aan de eisen van de moderne technologie beantwoordde.
Het adagium “sneller, hoger en verder” werd vervangen door “grootser, duurder en sensationeler”. De nieuwe koers kon niet voorkomen dat de politiek steeds brutaler naar de macht greep. Integendeel.

Tokio beleefde de eerste Spelen die vrijwel integraal “live” de huiskamers van miljoenen werden binnengebracht. De Spelen kregen daardoor een ander platform. Ofschoon de uitsluiting van Indonesië het enige politieke incident rond de Spelen van Tokio betekende, begreep de wereld dat de Olympische Spelen door de televisie een betekenis hadden gekregen die hun oorspronkelijke waarde ver te boven ging. Brood en spelen waren in het Romeinse rijk tot de belangrijkste levensbehoeften uitgeroepen, “brood en Olympische Spelen” werd de leus van de nieuwe tijd.

Mexico was in 1968 het eerste semi-ontwikkelingsland dat de taak kreeg een miljoenen verslindend festijn als de Olympische Spelen te organiseren. Al enkele maanden voordat de Spelen van start gingen, was Mexico City het toneel van bloedige slagen tussen studenten en arbeiders aan de ene kant en politie en leger aan de andere kant. De Olympische complexen werden onder bewaking van tot de tanden bewapende militairen voltooid. De protesten richtten zich vooral tegen het feit dat de Mexicaanse regering miljoenen over de balk slingerde en tegelijkertijd het proletariaat liet verhongeren.

Een dag voor de Spelen openden de militairen het vuur op 10.000 demonstranten op de Plaza de los Tres Culturas. Er vielen circa 250 doden en 1200 gewonden. De geschokte oppositie willigde de eis van president Diaz Ordas in dat er geen ordeverstoringen meer tijdens de Spelen zouden plaatsgrijpen. Niettemin bleef Mexico City een vestingstad waar het legergroen de couleur locale en de dreigende silhouetten van tanks de atmosfeer bepaalden. Uitgerekend tijdens die Spelen grepen de Amerikaanse negeratleten de gelegenheid te baat om de emancipatie van de Amerikaanse negerbevolking bij miljoenen kijkers aanhangig te maken. De emancipatie van het Mexicaanse volk bleef in de doorsnee-media buiten beschouwing…

De Olympische Spelen van München 1972 die de Duitsers als een revanche voor Berlijn ’36 zagen, werden overschaduwd door een gruwelijke Palestijnse aanslag op de Israëlische ploeg. Elf Israëliërs vonden de dood. Maar één dag later gingen de Spelen gewoon door. Avery Brundage meende dat de Olympische geest sterker was dan terreur en geweld. Politiek en intimidatie waren toen al niet meer weg te denken van het Olympisch slagveld.

Ook de Spelen in Canada ontkwamen niet aan politieke incidenten. In 1968 was Zuid-Afrika wegens zijn apartheidspolitiek uit de Olympische beweging gestoten. Rhodesië onderging kort voor de Spelen hetzelfde lot. In verband met een toernee van een Nieuwzeelandse rugbyploeg door Zuid-Afrika en een Zuidafrikaans-tegenbezoek eisten de Afrikaanse landen de uitsluitingvan Nieuw-Zeeland. Toen het IOC daaraan geen gevolg gaf, trokken de Afrikaanse landen zich massaal terug uit Montreal.

Moskou 1980 stond al bij de vroege voorbereidingen in het teken van de Oost-Westspanning. Toen Amerika en de Bondsrepubliek zich terugtrokken in verband met de Russische invasie van Afghanistan die in december ’79 haar beslag had gekregen, werden de Spelen tot een Oosteuropese aangelegenheid gedevalueerd.
De politieke Spelen hebben in Nederland al jaren ter discussie gestaan. Niettemin heeft Nederland zelf een niet onaanzienlijk aandeel in het politiseren van de Olympische Spelen gehad. Het opgeheven vingertje van het Nederlandse calvinisme riep in 1956 op tot een boycot van de Spelen. De Russische tanks in Boedapest hadden ons de ogen geopend. Het Nederlandse voorbeeld wekte vooral hilariteit, slechts het neutrale Zwitserland en Franco-Spanje sloten zich bij het Nederlands initiatief aan.

In 1980 vonden regering en parlement dat Nederland niet behoorde te verschijnen op de party van de Sowjet-Unie, een land dat weinig zachtzinnig met zijn dissidenten omsprong en vanwege het militaire avontuur in Afghanistan als agressor moest worden aangemerkt. Het Nederlandse Olympisch Comité had geen boodschap aan het advies van regering en parlement. Een van de boycot-filosofen in die dagen was drs. Ed van Thijn, toen woordvoerder van het Comité Mensenrechten en Olympische Spelen, thans burgemeester vari Amsterdam en in die functie juist teruggekeerd van een reis naar Moskou. Als potentiële organisator van de Spelen in 1992 heeft Van Thijn vooralsnog geen bezwaar tegen de komst van Russen naar de Nederlandse Spelen.

In die visie worden de mensenrechten tijdelijk langs de zijlijn opgesteld. Wanneer de Russen straks naar Amsterdam komen, brengt dat geld in het laatje, misschien wel zo’n 900 miljoen extra… Wie kan daartegen bezwaar hebben, is de redenering. Ook op de vierkante meter viert de hypocrisie hoogtij.

Op het brede vlak van de internationale politiek wordt de atmosfeer bepaald door het verziekte klimaat dat de verhouding tussen de supermachten kenmerkt. In de eerste helft van de jaren zeventig die door een broze ontspanningspolitiek werd gekarakteriseerd, raakte de sfeer verziekt door confrontaties aan andere fronten. De Midden-Oosten-politiek vroeg in München de aandacht terwijl de Zuid-Afrika-quarantaine de gang van zaken in Montreal beïnvloedde.

Olympische Spelen kunnen slechts bestaan wanneer de wil tot verbroedering over een breed spectrum bestaat. Nu de Oost-Westverhouding sterke gelijkenis vertoont met de koude oorlog van de jaren vijftig is de Olympische geest een voorspelbaar slachtoffer van de internationaal-politieke malaise.

De Amerikaanse boycot van Afghanistan liep parallel met het opzeggen van handelsverdragen, een graanboycot en het bevriezen van culturele akkoorden. De Russische aftocht uit de Geneefse onderhandelingen werd logisch gevolgd door een boycot van het Amerikaanse superproject: de Olympische Spelen. Volgens de grondlegger van de strategie Von Clausewitz betekent oorlog “de voortzetting van de diplomatie met andere middelen.” Een variant daarop zou kunnen zijn dat de Olympische Spelen de voortzetting van intimidatie en koude oorlog vormen met andere middelen.

De Olympische Spelen dienen dan nog slechts tot een vorm van psychologische oorlogvoering, waarbij atleten nog altijd in nerveus gesneden broekjes ronddartelen maar nog slechts fungeren als tinnen soldaatjes in een spel waar hogere belangen worden behartigd. Daar gaat het om prestige, die in macht wordt vertaald. Daarmee zijn we ver verwijderd geraakt van het oude Griekenland, waar het oorlogvoeren tijdens de Spelen werd gestaakt. En zelfs is er een hemelsbreed verschil met de fronten uit de Eerste Wereldoorlog waar in de loopgravenstrijd op kerstavond het vechten even werd gestopt.

De politieke exploitatie van de Olympische Spelen was nooit grover dan in Berlijn ’36. Ter meerdere glorie van het Derde Rijk werd het spektakelstuk tot de laatste finish uitgebuit. Maar joden en negers werden intussen niet op party’s geduld waar de rest van de wereld zich op kosten van de nazi’s te goed deed aan drankjes en hapjes. In die dagen waren atleten met een politiek bewustzijn zeldzame fenomenen: je werd uitgenodigd en je ging, terwijl een paar honderd kilometer verderop concentratiekampen werden gebouwd en in gebruik genomen. Feiten die in die dagen bekend waren, maar waarmee atleten doorgaans niet werden lastiggevallen. En de technocraten onder de organisatoren, die vooral geïnteresseerd zijn in een vlekkeloze afwerking van de Spelen, zeiden en zeggen nog steeds in koor: “Toen Berlijn werd aangewezen, wist de rest van de wereld nauwelijks wie Hitler was.” De Nederlandse IOC-afgevaardigde Cees Kerdel hangt deze gedachte aan, blind voor het bewijsmateriaal dat Hitler-Duitsland in 1936 zijn ware gezicht al lang aan de wereld had getoond. Hitler maakte geraffineerd van de mogelijkheden gebruik. Maar was in die jaren de helft van de wereld niet op Hitler’s appèl verschenen, dan was zijn show mislukt, zoals de Olympische Spelen in Moskou ’80 een afgang voor de Russen was; zoals ook de Amerikaanse president Reagan ernstig wordt beschadigd wanneer de Spelen van Los Angeles als de Geamputeerde Spelen de geschiedenis zullen ingaan.

Bij het misbruiken van een sportieve krachtmeting voor politieke doeleinden was Hitler een markant voorbeeld, maar uniek was hij niet. Ook in de na-oorlogse periode stonden selectie- en trainingsprogramma’s in het teken van politieke exploitatie; het gold zowel voor het staatsamateurschap van de Oostblokatleten waar uitsluitend profs worden opgeleid als de voor de academische amateurs uit de Verenigde Staten die een gratis universiteitsopleiding met een doctorstitel bekroond zagen, wanneer ze maar hard liepen, hoog genoeg sprongen en in staat bleken een speer of discus verder van zich weg te werpen dan de concurrentie.
De Franse president Charles de Gaulle spaarde kosten noch energie om Franse roeiploegen omhoog te stuwen in de vaart der volkeren, in welk streven hij concurrentie ondervond van de Duitse bondskanselier Willy Brandt die in het begin van de jaren zeventig hemel en aarde bewoog om de atleten uit de Bondsrepubliek niet al te onvoordelig te laten afsteken bij de coryfeeën uit de DDR van Ulbricht. Brandt voerde ook een Olympische strategie, Ostpolitik of niet.
Bij de Olympische Spelen in Mexico grepen de atleten voor het eerst zelf naar de macht toen de emancipatie van de Amerikaanse neger met gebalde vuisten op het erepodium verscheen. Tommie Smith, winnaar van het goud op de 200 meter: “Mensen erkennen dat ik een snelle neger ben. Maar ik bén nog steeds een neger.” En John Carlos, brons op dezelfde afstand: “Onze kinderen kunnen geen medailles eten.” Het Amerikaanse Olympisch Comité viel en massa om van verbazing toen die gebalde vuisten omhoog werden gestoken. Want ook in die jaren was een eigen mening voor atleten nog altijd een taboe dat taai overeind was gebleven.

De sfeer werd treffend verwoord in de later wereldberoemd geworden slogan van de Nederlandse president van de Internationale Atletiekfederatie Adje Paulen: “Niet lullen maar lopen.” En het was ook al heel wat dat Nederlandse sporters die na de moordpartij in München ’72 de Spelen voor gezien hielden, genadig toestemming kregen huiswaarts te keren zonder dat represailles tegen hen werden genomen.

Het geeft iets weer van de hypocrisie die rond de Spelen hangt. Toen Amerikaanse officials in ’36 protesteerden tegen Hitlers weigering om hardloopkampioen Jesse Owens de hand te drukken, vergat men gemakshalve dat de Amerikaanse blanke en negeratleten (onder wie de gevierde Owens) apart onderdak hadden gekregen en strikt gescheiden werden gehouden in het Olympische broederdorp. Toen in Mexico City Amerikaanse negeratleten de ene gouden medaille na de andere wegsleepten, ging tegelijkertijd onder de officials uit the States een cynisch grapje rond: “Hoe komt het dat negers zo hard lopen? Antwoord: om zo snel mogelijk weer op hun luie kont te kunnen gaan zitten.” De Amerikaanse sprinter John Carlos had een andere visie: “Een neger uit het getto moet altijd hard lopen, omdat hij altijd op de vlucht is, voor de politie, voor zijn blanke medemens.” Zijn bittere woorden kwamen direct uit het getto waar deze negaratleet was opgegroeid.

De Olympische politiek, van een regering of een pressiegroep, staat haaks op de ideeën van de romanticus baron Pierre de Coubertin. Hij had het allemaal zo mooi bedacht, “deelnemen is belangrijker dan winnen.”

Maar het is een geluid dat bij de na-oorlogse Olympische Spelen door geen enkele zichzelf respecterende coach is verkondigd. Want al verschijnen op elke Olympische Spelen boksers die nog geen deuk in een pakje boter kunnen slaan, komen atleten op het nummer hoogspringen uit waarbij het springtouw dat op één meter hangt al een onoverkomelijke moeilijkheid blijkt en duiken zwemmers in het Olympisch water met als enige verdienste dat zij levend aan de finish komen, het kwalitatieve peil van de Spelen vertoont een sterk oplopende curve. Hoewel de morele kater bij elke Spelen groter wordt, stijgt het prestatieniveau met sprongen.

Nimmer werden meer wereldrecords gebroken dan in Moskou. Nimmer heeft de wetenschap zich ook zo intensief met de sportieve prestaties beziggehouden. De Olympische Spelen van Moskou waren de “Spelen van de wetenschap.” En Los Angeles zal geen ander beeld te zien geven. Maar boven alles en iedereen regeert de politiek. In Los Angeles en in Seoel. Als ergens de Oost-West-confrontatie op een klein territorium wordt uitgevochten is het rond de 18ste breedtegraad in Zuid-Korea.

Zelfs Nederland is een mogelijke conflicthaard voor de Olympische gedachte. En ook Griekenland is een betwist terrein. Het is niet alleen Navo-bondgenoot Turkije. De veronderstelling dat de Olympische geest die overal ter wereld zoek is als een verloren zoon naar de voet van de Olympus zal terugkeren lijkt niet meer dan een illusie.

In de naïeve geest van De Coubertin hadden de Olympische Spelen het doel de volkeren te verbroederen, ver van nationale of individuele belangen, zonder onderscheid naar ras, kleur, sekse of politiek systeem. Maar vandaag zijn de Olympische Spelen overwoekerd door financiële belangen, politieke en nationalistische ambities.

Toen in ’72 de president van het IOC, Avery Brundage, één dag na de slachtpartij in het Israëlische kamp met krakerige stem riep “The Games must go on”, liet hij doorschemeren dat, wat hem betrof, de Olympische gedachte over lijken kon gaan.

Vandaag staan we, aan de vooravond van Los Angeles 1984, rond het sterfbed van diezelfde Olympische geest. En zelfs voor optimisten blijft maar één wrange conclusie over: de Olympische Spelen zijn op weg naar het einde.

Dit artikel is verschenen in Elsevier op 19 mei 1984

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.