Eric Hendriks

Het Chinese censuurapparaat is nóg effectiever dan u denkt

Door Ingezonden opinie - 15 juli 2019

Volgens Eric C. Hendriks is een herhaling van de opstand van 1989 in China niet aan de orde.

In 1989 sloeg er een golf van protest door de communistische wereld. In China waren er in meer dan driehonderd steden demonstraties voor verdere liberalisering. Wekenlang hielden studenten Tiananmen, het gigantische Pekingse paradeplein, bezet. Het was het leger eerst niet gelukt om door de barricades van sympathiserende stadsbewoners te breken. Maar in de nacht van 3 op 4 juni zouden er korte metten gemaakt worden. Die nacht vochten tienduizenden Pekingse arbeiders en studenten met stokken, stenen en molotovcocktails tegen een ontruimingsmacht van honderdduizenden soldaten. Tiananmen viel. Langs de aanvoerwegen lagen de lichamen van jonge mensen – arbeiders, studenten, soldaten – die door de strijd om de politieke toekomst, van een persoonlijke toekomst waren beroofd.

Deze bijdrage is ingezonden door Eric Hendriks (1985). Hendriks is een Nederlands socioloog verbonden aan de Universiteit van Bonn in Duitsland. Eerder werkte hij op de Peking Universiteit in China. Twitter: @ericchendriks.

 

Ingezonden opinieartikelen worden geselecteerd door de redactie, maar vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs het standpunt van Elsevier Weekblad.

Nu, dertig jaar later, is er op Tiananmen niets meer zichtbaar van die verloren vrijheidsstrijd. Toeristen maken er lelijke selfies onder het toeziend oog van politieagenten en bewakingscamera’s. En terwijl westerse media de afgelopen weken terugblikten op de gebeurtenissen van 1989, vermeed de Chinese openbaarheid het onderwerp als de pest. Chinezen konden wel merken dat hun internet begin juni langzamer liep vanwege de tijdelijk geïntensiveerde censuur – meer automatische filters en meer handmatig geknip en geblok.

Meer controle dan ooit

Het contrast tussen nu en dertig jaar geleden is scherp. Terwijl de Communistische Partij (CCP) de Chinese bevolking en haar eigen gelederen in 1989 even niet meer in de hand had, heeft ze nu meer controle dan ooit.

Op het vasteland dan. De Hongkongers – die recent in groten getale demonstreerden tegen een (nu afgeblazen) wet die uitlevering naar de CCP-rechtbanken van het vasteland mogelijk zou hebben gemaakt – dragen de vlam van 1989. Maar dat kan alleen omdat Hongkong toch net buiten het echte Chinese censuursysteem valt in de ‘één land, twee systemen’-structuur. De vonk kan vervolgens ook niet zomaar overslaan naar het vasteland, waar de censuur en de controle van de partij te sterk zijn.

Het is overigens niet zo dat de vasteland-Chinezen nooit iets meekrijgen van wat ze eigenlijk niet behoren te horen. Zelfs de meeste jongeren weten dat er in 1989 ‘iets’ gebeurd is, en er druppelt via informele kanalen van alles binnen over de rebellerende Hongkongers. De staatsmedia hebben toegegeven, zij het in zeer summiere bewoordingen, dat er wat onrust was in Hongkong – uiteraard geïnstigeerd door ‘buitenlandse krachten’.

Zulke verdachtmakingen zullen vast niet zonder effect zijn, maar de ware kracht van de CCP is de structurele aandachtssturing. Ja, de CCP heeft weliswaar geen totale controle over alle (informele) informatiestromen, maar ze heeft genoeg middelen om het vasteland te vrijwaren van elk georganiseerd tegengeluid.

Waarom is de Chinese censuur eigenlijk zo effectief? Waarom werkt die zo ‘goed’?

Partijpropaganda en partijfunctionarissen

Westerse media belichten bij het onderwerp censuur-in-China steevast de nieuwste technologieën. Algoritmen speuren sociale media af naar foute woorden, straatcamera’s zijn aangesloten op gezichtsherkenningssoftware en een gepland nationaal sociaal kredietsysteem gaat mensen punten geven voor goed gedrag. Ja, klinkt eng, maar toch is de westerse media-aandacht voor al deze technische snufjes disproportioneel. De dragende kracht in het Chinese censuurapparaat zijn nog steeds de oude, over decennia opgebouwde elementen. De partijpropaganda in het onderwijs en in de media. De miljoenen partijfunctionarissen die in alle sectoren van de maatschappij zaken in de gaten houden.

Deze meer structurele, meer ‘maatschappelijke’, elementen krijgen weinig aandacht in westerse rapportages, en ze zijn van buitenaf gemakkelijk over het hoofd te zien. Veel aspecten van het CCP-censuursysteem ben ik trouwens ook pas ‘op waarde’ gaan schatten nadat ik enige jaren in China had gewoond.

Ik wil acht onderschatte aspecten van het Chinese censuurapparaat bespreken – acht dingen die bijdragen aan zijn venijn, maar waaraan onze kranten normaliter geen aandacht besteden.

1. Taalbubbel

De grote firewall rond het Chinese internet blokkeert buitenlandse (sociale) media en dwingt Chinese internetgebruikers om uit te wijken naar gecensureerde Chinese alternatieven. Cruciaal is dat China’s IT-sector daadwerkelijk sterke sociale media-alternatieven aanbiedt. Wat ook helpt, is dat de firewall een gebied afschermt dat van nature al een taalbubbel vormt. China is een groot land en het Mandarijns heeft weinig verwantschap met buitenlandse talen.

Ja, Taiwan en Hongkong verhinderen een monopolisering. Maar vergelijk vasteland China eens met Arabische landen, waar er, ook dankzij regionale zenders zoals Al Jazeera, veel meer duiding in de eigen taal van buitenaf binnenkomt. Het gaat om de proportie, qua invloed, tussen gecensureerde binnenlandse media en andere, niet gecensureerde informatiebronnen in de eigen taal. Arabische dictators kunnen alleen maar dromen van de mate waarin de CCP over een eigen taalgebied heerst.

2. Oninhoudelijkheid

Toch kan het CCP-censuurapparaat alleen effectief zijn, omdat het niet alleen wat subversieve buitenlandse duidingen blokt, maar het publiek ook structureel weghoudt van inhoudelijke vragen over politiek en maatschappij. Ze trekt je een zee van intellectuele leegte in, één met een partijconforme onderstroom.

Pakken we als casus de nieuwsuitzending op tv. Deze bestaat traditioneel uit drie onderdelen. Het eerst onderdeel zijn items over Chinese politici die ergens waren voor een bespreking. Zus of zo was hier of daar. Er wordt een thema genoemd – ‘de economie’ of ‘anti-corruptie’. Maar wat werd er precies besproken? Welke vragen stonden op de agenda? Daar wordt niet over bericht. Zo weet je te weinig om ergens over te kunnen nadenken, maar krijg je wel het gevoel dat de leiders hard werken. Ze waren immers weer ergens iets aan het doen.

Het tweede en derde onderdeel van het nieuws zijn, respectievelijk, positieve binnenlandse items en negatieve items over het buitenland. In China wordt er weer meer van iets geproduceerd, terwijl het in het buitenland weer hommeles was. Terreuraanslagen in Europa en het Midden-Oosten worden breed uitgemeten. En als demonstranten in het buitenland met de politie in botsing komen, zoals in Egypte in 2011, dan bericht het Chinese nieuws over het geweld zonder iets over de ideologische achtergronden te zeggen. Door alle slachtofferaantallen, cijfers over materiële schade en grafische beelden, zie je door de bomen het bos niet meer. Je vergeet je af te vragen waarvoor mensen oorspronkelijk op de been waren. Wat blijft hangen: een wanordelijk buitenland vol leeg geweld versus het ordelijke China. Je mag maar wat blij zijn dat je land wordt bestuurd door de CCP.

3. Kwantiteit

Westerlingen hebben soms de naïeve voorstelling van die ene subversieve fluistering die dan toch binnenglipt en alles ontregelt. ‘Wist je dat ze in Hongkong eigenlijk op de been waren voor vrijheid?’ Maar het systeem werkt met kwantiteit. Je krijgt een leven lang gekleurde en gefilterde informatie over je uitgestort. Ja, je hoort af en toe ‘roddels’ en ‘complottheorieën’, en je gelooft zeker niet elk nieuwsitem, niet alles in elk lesboek – maar je kunt ook niet altijd alles afweren. Er beklijft genoeg. Deze propagandasmurrie hoopt zich op in je geestesleven en vormt je denkgewoonten.

4. Nepdiversiteit

De eenzijdigheid van de beïnvloeding wordt verborgen door een façade van diversiteit. China’s uiterlijk diverse medialandschap richt zich op verschillende doelgroepen. Naast de oude partijkrantjes heb je zakelijk nieuws, glossy’s voor jonge vrouwen, traditionele xiangsheng-komedie op de radio voor ouderen, enzovoorts. Maar deze veelheid aan commerciële formaten verbergt dat de Chinese media op politieke gevoelige onderwerpen met één stem spreken: dat van het Propaganda Departement van de CCP. Het Departement belt en appt dagelijks instructies naar alle redacties in het land. Op die manier is de sturing redelijk systematisch, maar is er geen officieel document dat kan lekken.

5. Je moeder

Het geniepige is dat die propaganda op verschillende indirecte manieren je leven insluipt. Ja, je vertrouwt de media misschien niet, maar wel je favoriete lerares op school en je ouders. Je gelooft toch zeker wel wat je moeder je over buitenlandse politiek vertelt? Maar als je moeder zelf niet veel heeft gereisd, hoe komt ze dan aan haar informatie? Van vriendinnen wellicht, die hun info op hun beurt uit de media halen. En die krijgen weer opdrachten van, inderdaad, het Propaganda Departement.

6. Haarvaten

Buitenlanders onderschatten doorgaans hoezeer de partij doordringt tot in de haarvaten van de Chinese maatschappij. Door deze maatschappelijke doordringing heeft de Chinese partijstaat veel meer controlerend vermogen dan de meeste andere niet-democratische regeringen. De CCP hoeft nooit met gewapende mannen een campus of redactie binnen te vallen, zoals despootjes in ontwikkelingslanden, want ze is er altijd al. Elke school, faculteit en redactie, elk middelgroot of groot bedrijf, eigenlijk elke organisatie van betekenis in China, heeft een partijcel die over de politieke lijn waakt. Deze cellen fungeren als het aanspreekpunt van de partij als er hommeles is. Ze zijn verantwoordelijk voor het pacificeren van elk opkomend potentieel verzet.

In de tijd dat ik op de Peking Universiteit werkte, ben ik ook eens een beetje gepacificeerd, al was het niet op een bijster gewichtig dossier. Ik zat op WeChat in het Engels te klagen dat partijpipo’s (‘the boys of the CCP’) mijn favoriete gemakswinkel in mijn appartementencomplex hadden gesloten. De eigenaren hadden onverwachts te horen gekregen dat hun winkeltje onmiddellijk dicht moest. Ze zouden zelfs hebben moeten rennen om hun waren op tijd uit de ruimte te halen. In China gebeuren zulke dingen vaker. Omdat de officiële bureaucratie een verschrikking is, openen veel winkeliers en caféhouders hun zaakjes op basis van informele afspraken met (en betalingen aan) individuele partijbonzen. Deze afspraken kunnen elk moment vervallen, bijvoorbeeld omdat er binnen de partij met personeel geschoven wordt. Welnu, ik schreef dus wat slechte dingetjes over de CCP op mijn tijdlijn. Tsjak — een geruststellend bericht van de onderzoekscoördinator van de sociologie faculteit: om de hoek van mijn gebouw zou een nieuwe luxe gemakswinkel worden geopend.

Leuk, maar hoe wist de onderzoekscoördinator van de faculteit, die heel ergens anders woonde, eigenlijk zoveel over winkeltjes in mijn woonomgeving? Ze was een partijfunctionaris. Nadat ze op mijn tijdlijn gezien had dat ik boos was, moet ze zich door andere partijlui hebben laten informeren over de situatie, waardoor ze mij uiteindelijk gerust kon stellen. Ik was verrast door haar kleine interventie, ondanks dat ik eigenlijk al wist dat ze een politieke functie had. Eerder had ik gezien dat haar kantoor vol partijboekjes lag. Een onderdeel van haar werk was om onderzoekers zoals ik tevreden en op de rails te houden. Ze zou het eerste station van de paciferingstrein zijn, als ik ‘lastig’ zou gaan doen. Maar gelukkig ben ik helemaal niet zo lastig. Nee gut, ik ben gewoon naar die nieuwe winkel gesjokt voor mijn fruityoghurtjes en kant-en-klaar-kimbap.

7. Soft power

Dit brengt me bij de zachte, moederlijke kant van de macht. Westerlingen hebben een te harde, orwelliaanse voorstelling van de CCP en onderschatten haar bevoogdende insteek. In China krijgen rebelse individuen vaak een paar tweede kansen.

Zo vertelde een Pekingse kunstenares me dat ze jaren eerder in de problemen was gekomen met een sarcastische video over Chinese uitwisselingsstudenten. Ze werd door een tal agenten getrakteerd op een serie half-vrijwillige etentjes. De heren overstelpten haar met complimenten: ze had zóveel potentieel. Daarom was het zo jammer dat ze toch nét de foute onderwerpen koos. Ze boden haar een deal aan: wis de eerdere video en maak van ons geld een nieuwe, positieve video over Chinese studenten. Ze heeft het geld toen aangenomen, maar ze heeft geen nieuwe video gemaakt. In plaats daarvan is ze met de poen gaan backpacken in Latijns-Amerika. Toen ze twee jaar later berooid terugvloog naar China, zag ze de bui al hangen. Maar nee, ze werd niet opgepakt op de luchthaven. Haar zaak bleek niemand meer te interesseren.

Een bijsluiter: om coulant gepacificeerd te worden, moet je wel hoogopgeleid zijn, in een grote stad wonen en liefst tot de Han-meerderheid behoren. Voor Oeigoeren, Tibetanen en stakkers op het platteland heeft de CCP geen geduld. Onder het terreurregime in Xinjiang hoef je als moslim maar scheef te kijken en je zit in een kamp. De CCP kan ook oneindig wreed zijn.

8. Bevoogdingscultuur

Maar ten slotte, de échte inconvenient truth: ondanks alle genoemde manipulaties en wreedheden, is de CCP niet de grote boze onderdrukker van 1,4 miljard onschuldige slachtoffers. Dat beeld miskent immers haar aarding in de Han-Chinese cultuur. Het is maar al te verleidelijk om deze culturele dimensie weg te denken, omdat we als westerse critici dan kunnen zeggen dat we tégen de partij, maar vóór de Chinezen en de Chinese cultuur zijn – wat sympathiek klinkt.

Ook Steve Bannon, voormalig adviseur van de Amerikaanse president Donald Trump, die vurig pleit voor een escalatie van de handelsoorlog tegen China, probeert zich er op deze manier makkelijk vanaf te maken. In een tv-interview beweerde hij onlangs: ‘De CCP heeft de absolute totale controle over China. Dit gaat niet over het Chinese volk. De Chinezen zijn de meest eerzame, hardwerkende mensen in de wereld. Ze zijn door een totalitaire dictatuur tot slaaf gemaakt.’

In werkelijkheid bouwt de partij ten dele op een oudere politieke cultuur en is er een complexe wisselwerking tussen het politieke systeem en culturele waarden. Veel Chinezen willen zelf graag volledig worden geïnformeerd, maar vinden de censuur wel goed voor de meeste van hun landgenoten, omdat die simpele zieltjes zich anders maar zorgen zouden maken over dingen. Je hoort vaak aanvullingen in de trant van: je belast kinderen toch ook niet met zorgwekkende informatie.

Dit sluit aan op de traditionele confuciaanse voorstelling van leiders als de ‘ouders’ van het volk. De confuciaanse idee was dat de familie en de staat gelijksoortig zijn; dat de staat een soort familie in het groot is (Aristoteles verwerpt de familie-staat analogie trouwens expliciet op de eerste pagina van zijn Politika). Naar het confuciaanse ideaal waren onderdanen verplicht om zich ‘kinderlijk gehoorzaam’ op te stellen tegenover de eigen ouders en voorvaderen en, overkoepelend, tegenover de confuciaanse beambten en de keizer. De keizer moest iedereen het goede voorbeeld geven door zijn voorvaderen te eren op een voorbeeldig kinderlijk-gehoorzame wijze.

Kinderlijke gehoorzaamheid

Daarom zegt Confucius in het Boek van de kinderlijke gehoorzaamheid: ‘De wijze koningen uit het verleden regeerden hun koninkrijken met kinderlijke gehoorzaamheid.’ Kinderlijke gehoorzaamheid werd, kortom, gezien als het fundament van een harmonieuze samenleving.

Deze traditionele voorstelling van harmonie en gezag werkt nog door. Oudere Chinezen beschrijven zorgzame, goede partijbeambten soms lovend als ‘ouderlijke beambten’, fumuguan – een compliment uit de confuciaans-keizerlijke tijd. En veel jonge Chinezen, vooral jonge vrouwen, cultiveren een ‘schattig’, kinds habitus.

Dat ouder-kind-relaties traditioneel zo belangrijk zijn voor de politieke verbeelding, maakt dat het ook politiek relevant is hoe men over kinderen denkt, want de ene ouder-kind-relatie is de andere niet. Chinese ouders zijn doorgaans beschermender en minder mededeelzaam tegen hun kind dan Nederlandse of Vlaamse ouders. In China zijn kleine kinderen schattige dotjes. Als ze iets ouder zijn, moeten ze leermachines worden. Kinderen worden niet snel bij serieuze gesprekken betrokken.

Niet praten met baby’s en kinderen

In arme delen van het Chinese platteland, waar veel kinderen worden opgevoed  door grootouders (de ouders werken illegaal in de grote stad), heb je zelfs het probleem dat er überhaupt niet met baby’s en peuters wordt gepraat; dit vanuit de gedachte dat het toch geen zin heeft om met ze te praten, omdat ze immers nog niet kúnnen praten. Rampzalig, want de wetenschap leert ons dat veel taalcontact cruciaal is voor de cognitieve ontwikkeling van baby’s en peuters.

Onderwijssocioloog Scott Rozelle van de Universiteit van Stanford, die IQ-testen afneemt op het Chinese platteland, toont aan dat veel Chinese schoolkinderen door taalarmoede in de eerste levensjaren blijvende cognitieve achterstanden oplopen. Let op: dit is specifiek een onderklasse-probleem in de verarmde binnenlanden.

In China’s rijke steden staat de paternalistische cultuur de formatie van een kritische burgerij in de weg. Nu staat niets in steen gebeiteld. Het paternalistische imperatief ‘Bescherm de kindse Ander tegen zorgwekkende informatie’ zou binnen één of twee generaties zijn invloed kunnen verliezen, want cultuur is altijd in beweging. Illustratief zijn de rappe culturele veranderingen in het meer geliberaliseerde Hongkong en Taiwan, alsmede de afgesneden liberaliseringsbeweging op het vasteland in de jaren tachtig. Maar dat de toekomst culturele verandering kan brengen, betekent niet dat het heden niet is wat het is.

Achter het huidige Chinese censuursysteem staan de machtigste politieke organisatie op aarde, alle genoemde structurele voordelen en technische snufjes én een bredere bevoogdingscultuur. Nee, een nieuwe 1989 is niet in zicht.

Dit essay verscheen ook in twee delen op het Vlaamse blog Doorbraak.be.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.