buitenland

Dit is de man die een moordpartij van IS overleefde

Door Shari Deira - 04 september 2014

De Islamitische Staat (IS) verspreidt gruwelijke filmpjes van massa-executies, die niemand kan navertellen. Behalve een man: Ali Hussein Kadhim. De sjiietisch-Iraakse militair stond in de rij om te worden doodgeschoten.

Samen met honderden andere militairen werd hij in juni meegenomen naar het paleis in Tikrit, waar Saddam Hoessein ooit heeft gewoond. Kadhim, een getrouwde man met twee kinderen, vertelt zijn bijzondere verhaal aan The New York Times.

Bloedspetters

De mannen werden verdeeld in groepen: soennieten bij de soennieten, sjiieten bij de sjiieten. De soennieten mochten uiteindelijk vertrekken, de sjiieten werden doodgeschoten. Toen de eerste man werd doodgeschoten, voelde Kadhim bloedspetters op zijn gezicht.

Kadhim was nummer 4 in de rij. ‘Ik zag mijn dochter voor me, ze zei: “vader, vader”,’ vertelt hij aan de krant. Hij voelde de kogel langs zijn hoofd gaan, en liet zich vallen op de grond. ‘Ik deed alsof ik was neergeschoten.’

Toen IS dacht dat iedereen dood was, liepen de IS-terroristen rond de lijken. Een man ademde nog: ‘Laat hem maar lijden,’ zei een van de terroristen. ‘Hij is een ongelovige sjiiet. Laat hem lijden. Laat hem bloeden.’ Kadhim leefde nog steeds, en wilde overleven.

Vier uur lang deed Kadhim alsof hij dood was. De militair wachtte in stilte tot het donker was, en rende met zijn handen vastgebonden op zijn rug naar de rivier de Tigris. Daar ontmoette hij een man, Abbas, die was neergeschoten door IS-terroristen en in de rivier was geduwd. Het lukte Abbas om de handen van Kadhim los te krijgen. Kadhim at insecten en planten, maar Abbas was te zwak om te eten.

Maaltijd

Drie dagen verbleef hij op die plek: ‘Het waren drie helse dagen,’ zegt Kadhim tegen de krant. Kadhim zei tegen Abbas dat hij de rivier wilde oversteken. Abbas smeekte om terug te komen om hem te redden. Als dat niet zou lukken, moest Kadhim in ieder geval zijn verhaal doorgeven.

Het lukte Kadhim om aan de overkant van de rivier te komen en hij liep richting het noorden. Daar kwam hij een lege hut tegen, waar hij sliep. De volgende ochtend zag hij even verderop huizen. Een soennitische familie liet hem binnen en gaf hem zijn eerste normale maaltijd in dagen.

De familie was bang dat IS hen wat zou aandoen, als de terroristen zouden ontdekken dat zij onderdak gaven aan een sjiiet. Ze stuurden Kadhim naar het huis van vrienden, waar hij drie dagen bleef. IS was inmiddels op de hoogte van het feit dat Kadhim nog in leven was, maar ze wisten niet waar hij was.

Kadhim ging door naar de stad Al-Alam, naar het huis van de soennitische sjeik Khamis al-Jubouri. De sjeik hielp sjiietische militairen die op de vlucht waren voor IS.

Kadhim bleef twee weken bij de sjeik, en vertrok toen het veilig genoeg was voor hem om te reizen naar de stad Erbil. Daar ontmoette hij zijn oom, die was ingevlogen vanuit de stad Najaf. De volgende dag kwam Kadhim eindelijk thuis.

‘Ik was zo gelukkig,’ zegt Kadhim over het moment dat hij zijn familie weer zag. Hij was sterk vermagerd en had een baard. ‘Mijn dochter herkende me niet en rende weg.’ Kadhim heeft zijn verhaal ook verteld aan lokale media. Sindsdien krijgt hij dagelijks telefoontjes van familielieden van vermiste soldaten.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.