buitenland

Jordaanse vluchtelingenkampen zijn economieën op zich

Door Rinke Verkerk - 03 april 2015

Als veilige haven in het Midden-Oosten trekt Jordanië al decennia een stroom vluchtelingen: eerst Palestijnen, nu Syriërs en Irakezen. Is het geklaag hierover terecht? ‘We doen zielig, maar van binnen glimlachen we.’

In Al Ramtha, het noordelijkste stadje van Jordanië, neemt zakenman Thaer al-Bashabsheh (36) een hijs van zijn Cohiba-sigaar. Vanaf de heuvel waarop hij staat, zijn in de verte lichtjes in Syrië te zien.

Zijn familie is invloedrijk; Al-Bashab­sheh behoort tot de rijke elite van Jordanië. Hij bezit opslagcomplexen, transportbedrijven, en handelt in landbouwmiddelen.

Tot 2011 woonde Al-Bashabsheh voor de handel in Tartous, een Syrische havenstad. Hij wijst vanaf de heuvel de andere kant op, richting Jordanië. ‘Jordaniërs doen zielig over die vele vluchtelingen die hier  sinds de Syrische burgeroorlog binnenstromen. Maar van binnen glimlachen we. Want we weten allemaal dat wij geld verdienen aan de vluchtelingen. Vluchtelingen zijn handel.’

Onhoudbaar

Jordanië is een klein land zonder grondstoffen of water. Daardoor is het afhankelijk van import en is de economie kwetsbaar voor regionale conflicten.

Maar het geldt wel als een van de veiligste landen in het Midden-Oosten, waardoor het land een veilige haven is voor vluchtelingen uit de regio. Die positie levert behalve veel logistieke problemen ook geld op.

De Palestijnen zijn in 1948 de eerste groep vluchtelingen die Jordanië binnenstromen en een bron van inkomsten blijken  te zijn. In 2011 komt de volgende vluchtelingenstroom op gang, als in buurland Syrië een burgeroorlog uitbreekt.

In Jordanië zijn in maart 2015 officieel 747.360 Syrische vluchtelingen geregistreerd. Het onofficiële aantal is 1,5 miljoen. En dat op een bevolking van slechts 7,9 miljoen.

Ayman Arabeyat, persvoorlichter van de overheid, gooit van achter zijn bureau zijn armen in de lucht en roept: ‘De situatie is onhoudbaar! De huizenprijzen zijn vervijfvoudigd, omdat er door de komst van de Syriërs een ernstig tekort aan woonruimte is.

‘Bovendien bieden ze zich als arbeiders aan voor een veel lager uurloon en pikken ze onze banen in! Ze drinken water dat we niet hebben, ze eten ons gesubsidieerde brood zonder dat ze belasting betalen! Ik beschuldig niemand, maar als dit zo doorgaat, dan worden de Jordaniërs straks uit hun land verdreven door vluchtelingen.’

Ondernemers

Maar vluchtelingen genereren wel degelijk geld voor de Jordaanse economie. Allereerst door de miljarden die de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, en westerse landen in de vluchtelingenkampen steken.

Namens Nederland beloofde minister Lilianne Ploumen (PvdA, Ontwikkelingssamenwerking) onlangs nog 21 miljoen euro extra aan Jordanië om de vluchtelingen uit Syrië te helpen. Het geld stroomt vanuit de kampen deels de Jordaanse economie in.

Zo betaalt de UNHCR Jordaanse water-, elektriciteits- en afvalbedrijven voor het kamp Al-Za’atari alleen al bijna 1 miljoen euro per maand.

Dan is er veel informele handel. Syrië was een welvarend handelsland en onder de gevluchte Syriërs zijn ook veel ondernemers. In het noordelijke vluchtelingenkamp Al-Za’atari verkopen Syriërs hulpgoederen als tenten, voedselpakketten en matrassen buiten het hek, en kopen er handelswaar (van parfum tot televisies) en voedsel voor terug.

UNHCR-tenten ter waarde van 300 euro gaan voor 30 euro de markt op. Voedselpakketten ter waarde van 12 euro gaan voor 4 euro van de hand. Kilian Kleinschmidt, die namens de UNHCR tot november vorig jaar kampmanager was in Al-Za’atari: ‘Inmiddels zet de kampeconomie van Za’atari zeker 9 miljoen euro per maand om. Daarvan profiteren de Jordaniërs wel degelijk.’

Grootverbruikers

Goed bereikbare kampen met mediagenieke bewoners in een mediagenieke rampsituatie, zoals Al-Za’atari, trekken dankzij veel westerse media-aandacht ook bedrijven aan die hun goededoelenbudget niet langer klakkeloos op de bankrekening van een hulporganisatie willen storten.

Bedrijven gebruiken maatschappelijke betrokkenheid graag om consumenten en klanten voor zich te winnen. Publicitair gezien is betrokkenheid bij een kamp als Za’atari dan een slimme zet.

Kleinschmidt: ‘Bedrijven willen betrokken worden bij hulpverlening. Meubelbedrijf IKEA wil onderkomens voor vluchtelingen helpen ontwerpen en bouwen. Adviesbureau McKinsey wil zijn expertise inzetten voor innovatie en management in de noodhulpsector.’

Vanwege de illegale status van de vele winkeltjes en bedrijfjes van ondernemende Syriërs in Za’atari ‘verdwijnt’ veel geld. De UNHCR kan de loeihoge elektriciteitsrekeningen (maandelijks 700.000 euro) bijvoorbeeld niet declareren bij grootverbruikers zoals de winkeleigenaren in het kamp.

En de overheid kan de miljoenenomzet van de Za’atari-vluchtelingen niet belasten. Hun omzetten zouden zelfs hoger kunnen worden als ze worden gelegaliseerd, want hun afhankelijke positie dwingt hen nu om akkoord te gaan met bodemprijzen. Dat drukt de omzet.

Illegale kampeconomie

World Food Program (WFP) is in 2013 de eerste hulporganisatie die een nieuw beleid voert om de officiële Jordaanse economie te verbinden met de illegale kampeconomie in Za’atari, en beide partijen te laten profiteren.

WFP verwisselde het voedselpakkettensysteem voor een vouchersysteem. Iedere Syriër krijgt maandelijks een tegoedbon van omgerekend 28 euro voor de kampsupermarkt en is daarmee vrij om te kiezen welke levensmiddelen hij daarvoor wil kopen.

De kampsupermarkt behoort tot de Jordaanse Safe Way-keten, en zo stroomt die 28 euro direct de Jordaanse economie in.

Daarnaast werkte kampmanager Kleinschmidt samen met het Amerikaanse energiebedrijf SunEdison aan een duurzame energiecentrale, die niet alleen voor het kamp 20 procent goedkopere stroom gaat opwekken, maar voor de hele noordelijke regio Mafraq.

‘Door deze investering kan de UNHCR de energierekening in Za’atari op termijn terugbrengen naar nul. We geven iedere bewoner een standaardhoeveelheid per maand. Die kosten dekken we met onze inkomsten uit de regio. Wie meer verbruikt, sturen we een factuur.’

Het Franse waternetbedrijf La Société des Eaux de Marseille doet hetzelfde, samen met de gemeente Amsterdam die in opdracht van minister Ploumen handelt. Zij ontwikkelen het businessmodel voor een waternetwerk.

Kleinschmidt: ‘Za’atari trekt bedrijven aan die anders nooit hadden geïnvesteerd in Noord-Jordanië. Als wij deze aanpak kunnen formatteren, willen landen in de toekomst misschien zelfs wedijveren om vluchtelingenkampen.’

Banen inpikken

Vluchtelingen zijn voor Jordanië dus handel en dat zijn ook de Syriërs die uiteindelijk hun vluchtelingenkamp verlaten en in de stad gaan wonen. Zoals Fatima, een getrouwde vrouw met vier kinderen die in de stad Mafraq woont, op zo’n zeven kilometer van Za’atari.

Om het kamp te mogen ver­laten, had zij allereerst de vereiste garantiebrief nodig. Daarin stelt een Jordaniër zich garant voor haar welzijn en eventuele ­kosten. De brief kost omgerekend officieel ruim 50 euro, maar Jordaniërs vragen tot tien keer zoveel. ‘Mijn familie betaalde die van ons.’

Fatima krijgt consumptiebonnen van de UNHCR, die geldig zijn in vijf winkels in Mafraq. Ze komt er niet van rond. ‘Die winkels hebben hun prijzen verdubbeld.’

Verder ­betaalt Fatima 200 euro huur per maand voor woonruimte, een betonnen garage die nog geen 40 euro waard is. Haar man werkt voor 8 euro per dag als fruitplukker buiten de stad.

Geld rolt

Kloppen de klachten van persvoorlichter Arabeyat dat de Jordaniërs lijden onder de hoge huizenprijzen en oneerlijke arbeidsconcurrentie dan toch? Zakenman Al-Bashabsheh: ‘De prijzen gaan over de kop. Maar wie vangt dat geld? De Jordaniërs.’

Ook met de uitspraak dat Syriërs banen inpikken, is hij het oneens. Al decennia besteedt Jordanië zwaar werk in de bouw, landbouw en industrie uit aan goedkope immigranten, vooral uit Egypte. Grotendeels werken zij zwart. ‘Syriërs doen voor nog minder geld het werk dat Jordaniërs sowieso al niet deden.’

Vanaf de heuvel wijst Al-Bashabsheh naar het stadje Al Ramtha. ‘Voordat de Syriërs kwamen, gebeurde hier niks. Nu is onze stad twee keer zo groot. Er worden weer wegen en straatverlichting aangelegd. Winkels vergroten hun voorraden. Het geld rolt.’

Datzelfde geldt voor Mafraq. De winkeletalages waren daar in 2013 nog grauw, de borden verkleurd door de zon. Nu hangen er nieuwe reclameborden boven schoenen- en tassenwinkels die eerder geen klanten konden krijgen. Ze lopen prima; het is druk op straat. En er wordt bijgebouwd.

Natuurlijk, niet iedereen profiteert van de vluchtelingencrisis. ‘Voor Jordaniërs die voor de komst van de Syriërs de eindjes al aan elkaar moesten knopen, zijn de stijgende prijzen wel een extra last,’ zegt Kleinschmidt. ‘Maar van ontwikkelingen als de elektriciteitscentrale kunnen ook zij op lange termijn profiteren.’

‘Vluchtelingen hebben Jordanië opgebouwd,’ besluit al-Bashabsheh, te midden van een wolk sigarenrook. ‘Want wat was dit land voordat de Palestijnen kwamen? Amman en een woestijn. Verder niets.’

Elsevier nummer 15, 11 april 2005

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.