buitenland

Siculiana: een hoofdstraat, een paar cafés, en elke dag een invasie

Door Linda Otter - 07 mei 2015

Het Siciliaanse dorp Siculiana krijgt dagelijks honderden vluchtelingen binnen. Na een nacht in het opvangcentrum zijn ze verdwenen. ‘Op weg naar Rome, en dan misschien naar Nederland.’

Het is negen uur ’s ochtends. In het Siciliaanse dorpje Siculiana sopt barvrouw Maria Musso (45) de tafeltjes op het terras, terwijl ze de straat afspeurt. ‘Aha, daar komen weer nieuwe negers. Het is gedaan met onze rust,’ zegt ze als een groep Afrikanen de hoek om komt lopen.

‘Siculiana is altijd een gewoon en net dorp geweest, maar tegenwoordig is het net of we in Afrika wonen,’ klaagt een hoogbejaarde klant, die aan zijn espresso nipt. ‘Die mensen ontvluchten de oorlog, of willen hier werken omdat ze uit arme landen komen. Dat is triest genoeg, maar je kunt ze toch niet allemaal hierheen halen?’

Het dorp in het zuiden van Sicilië telt zo’n vijfduizend inwoners, van wie het merendeel de vijftig is gepasseerd. Het is een van die plekken waar nooit iets lijkt te gebeuren, ingebed tussen de zee en groene heuvels, vlakbij Agrigento, de stad van de beroemde tempelvallei.

Maar vorig jaar maart verdween die rust toen in Siculiana een opvanghuis werd gevestigd voor asielzoekers. Het dorp is inmiddels dé springplank op Sicilië voor immigranten die naar Europa willen.

Palmen

Wie naar Siculiana gaat, ziet een hoofdstraat met eenvoudige gele en roze flat­woningen, een paar bars en wat winkeltjes. Tot vorig jaar maart was er in het dorp ook een hotel met palmentuin en een zwembad. Doordat toeristen wegbleven, wordt het verhuurd aan de staat om vluchtelingen onderdak te bieden.

De havenplaats Porto Empedocle, waar de marine en kustwacht de eerste vier maanden van dit jaar al zesduizend bootvluchtelingen naartoe brachten, is nog geen kwartier rijden.

Bij het voormalige hotel staan bussen en een paar politiewagens geparkeerd. Een Afrikaanse vrouw ligt op een muurtje te slapen, terwijl immigranten onder toeziend oog van de politie het gebouw in- en uitlopen. De opvang krijgt elke avond een grote stroom nieuwkomers te verwerken.

Vaak honderden mensen tegelijk, vertellen de inwoners van Siculiana. Officieel is er plek voor tachtig mensen, maar de bezettingsgraad is wel zes tot zeven keer zo hoog.

Elke avond en ochtend lopen de vreemdelingen het dorp binnen. Ze bellen druk met mobieltjes of bestormen de telefooncellen om familie en contactpersonen te laten weten dat ze veilig zijn gearriveerd. Een aantal van hen wordt met auto’s en busjes opgehaald. De rest slentert door het dorp of houdt de stoep bezet, wachtend op de bus.

Antwoordapparaat

Een groep Afrikaanse twintigers is bezig een reisroute uit te stippelen. Eén van hen vertelt dat hij uit Gambia komt, twee anderen komen uit Ghana.

Ze vragen hoe laat de bus naar Agrigento vertrekt, en of ze daar aansluiting hebben naar Rome of Milaan. Ze weten nog niet goed waar ze naartoe willen. ‘Misschien naar Duitsland,’ zeggen ze. ‘En hoe is het eigenlijk in Nederland? Kun je daar gemakkelijk werk vinden?’

Drie vrouwen uit Eritrea komen hijgend aanrennen. Ze zijn christelijk, met grote kruizen om hun nek. Goochelend met papiertjes waarop een serie telefoonnummers staat gekrabbeld, vraagt een jonge vrouw of ze even een mobiele telefoon kan lenen.

Ze wil haar contactpersoon in Rome berichten dat ze geen geld heeft voor de bus, en wil weten wat ze nu moet doen. Ze tikt het nummer in en krijgt een antwoordapparaat. Even later zit ze op de stoep te huilen.

Ongeveer de helft van de mensen die de Italiaanse kustwacht en marine redden, wordt naar de havenplaats Porto Empedocle gebracht, waarna de meesten doorgaan naar Siculiana. De rest wordt naar andere Siciliaanse havensteden gebracht, zoals Pozzallo en Catania.

De overgrote meerderheid is Afrikaans, zo blijkt uit cijfers van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Van de circa tienduizend migranten die de eerste drie maanden van dit jaar de Italiaanse kust bereikten, kwam bijna de helft uit landen als Gambia, Senegal, Somalië en Eritrea; de meesten van hen jonge mannen tussen de twintig en dertig jaar. ‘Slechts’ duizend kwamen uit Syrië.

Gezichtscans

De Italiaanse overheid klaagt al jaren dat ze geen ruimte heeft voor de onophoudelijke stroom nieuwkomers. In Italië verblijven in totaal 67.000 asielaanvragers in tijdelijke opvanghuizen en asielzoekerscentra, van wie 14.000 op Sicilië. Berekend is dat er elke week 5.000 extra plaatsen nodig zijn om iedereen onderdak te geven. Vergeleken met andere Europese landen heeft Italië per hoofd van de bevolking overigens weinig asielzoekers.

Dat willen de Italianen graag zo houden. Politici en beleidsmakers vinden dat ze met hun reddingsacties op zee al meer dan genoeg doen.

‘Wij hoeven niet alleen op te draaien voor de vluchtelingen,’ is het refrein. ‘Als Europa zo met hen is begaan, moeten ze maar meer bijdragen.’ Dus worden de deuren van de Italiaanse opvangcentra wijd open gezet en mag iedereen vertrekken die daar zin in heeft.

Volgens Europese regelgeving zijn bootvluchtelingen die niet uit EU-landen komen, verplicht gezichtscans te laten maken en vingerafdrukken af te staan. Maar vooral Sy­riërs en Eritreeërs weigeren dat en reizen meteen door naar Duitsland, Zweden of Nederland, waar vaak familie woont, en de sociale zorg beter is.

Het zijn vooral Afrikanen uit Gambia, Nigeria, Mali en Ghana die asiel aanvragen in Italië. Met een geloofwaardig verhaal maken ze kans op een plaats in een asielzoekersflat, waar ze hun procedure – die zo’n drie jaar duurt – kunnen afwachten. Ze krijgen eten, onderdak en zakgeld van 2,50 euro per dag.

Subsidies

Afrikanen kiezen vaak voor Italië omdat ze er in afwachting van hun procedure – anders dan in Nederland – legaal mogen werken. Op Sicilië zijn weinig banen, dus reizen de meesten verder. Ze gaan naar Piemonte om kiwi’s te plukken of naar Toscane en Puglia om te werken in de tomaten- en aspergeteelt. Italiaanse boeren helpen de spotgoedkope arbeidskrachten, die bereid zijn om voor 3 euro per uur sinaasappels te plukken, graag aan het werk.
Onlangs ontdekte justitie dat asielzoekers al aan het werk werden gezet vanuit corrupte opvangcentra, terwijl de leiding een oogje dichtkneep.

In Mineo – met  tweeduizend plaatsen het grootste opvangcentrum op Sicilië –  werden Eritreeërs opgepakt die een leidende rol hadden in een mensensmokkelaarsbende in Libië. Zij zorgden ervoor dat landgenoten in minibusjes naar de sinaasappelboeren in de omgeving werden gebracht. Vrouwen werden te koop aangeboden, en er werden reispapieren en contacten geregeld voor mensen die wilden doorreizen naar andere landen in Europa.

Sjoemelen

Justitie vermoedt dat plaatselijke politici hun salaris aanvulden door te sjoemelen bij het afgeven van vergunningen. Door de gunstige subsidieregelingen hebben immers veel ondernemers hun zinnen gezet op het openen van een opvangcentrum. In Siculiana ging de procedure wel volgens de regels, en geprostitueerd wordt er niet.

Maar volgens dorpelingen reden er wel minibussen rond om asielzoekers naar werkadresjes te brengen. ‘Iedereen wist wat er aan de hand was, maar er werd niets gedaan,’ zeggen ze. Intussen hebben steeds meer Sicilianen genoeg van hun corrupte politici en ‘de invasie van vreemdelingen’.

In Palermo en Catania wordt geklaagd over de verloedering van de historische stadscentra. Rondzwervende vreemdelingen die proberen te overleven door te bedelen en zich te prostitueren, zijn er de afgelopen jaren heel gewoon geworden. Jongeren klagen dat Afrikaanse twintigers in de watten worden gelegd, terwijl hun problemen geen aandacht krijgen.

‘Wij krijgen geen huisvesting of studiebeurzen, laat staan uitkeringen, terwijl ze die Afrikanen een huis en geld geven,’ moppert

Giulio, een student die samen met zijn vrienden bij de haven van Porto Empedocle een jointje rookt.
Zoals bijna alle Italiaanse jongeren woont Giulio bij zijn ouders. Dat vindt hij niet erg, want hij heeft het thuis naar zijn zin, en had heimwee toen hij drie maanden stage liep in Londen. ‘Het is waar dat Ita­liaanse jongeren best verwend zijn. Maar we worden alleen verwend door onze moeder: van de staat krijgen we geen cent.’

Familieleden

Het is half twee ’s middags. De rust in Siculiana is teruggekeerd. Mannen van de burgerbescherming bestellen in het lokale café een espresso. ‘Morgen is er weer een dag,’ verzuchten ze. ‘Alle vluchtelingen zijn met de bus vertrokken.’ Dat laatste klopt niet, of in elk geval niet helemaal. Zo’n twintig Afrikanen hebben besloten de 21 kilometer naar Agrigento te voet af te leggen, over een drukke autoweg.

Ze zijn al een kilometer of zes onderweg en hebben nog zeker een paar uur te gaan. Als de auto stopt om een paar van hen een lift te geven, wordt die bestormd: vier vrouwen gooien hun bagage naar binnen, en slagen erin om zich naar binnen te vechten.

Onder hen is ook de twintigjarige Sariet, die eerder huilend vertelde geen geld voor de bus te hebben. De vier vrouwen vertellen dat ze 4.700 euro hebben betaald aan mensensmokkelaars om van Eritrea naar Italië te komen. Hun reis verliep voorspoedig, zonder te veel problemen.

‘Natuurlijk weet ik dat het heel gevaarlijk was om op die boot te stappen,’ zegt Sariet. ‘Maar als je bang bent, moet je het risico niet nemen. Je denkt toch: ik red het wel, ik ga niet verdrinken.’

Ze zegt dat haar familie niet rijk is, maar haar ouders hadden wel een lap grond die ze konden verkopen. De rest van het geld is bijeen­gebracht door andere familieleden en kennissen die in het buitenland wonen.

Het briefje met telefoonnummers van contactpersonen klemt ze in haar hand. Behalve haar Italiaanse contactpersoon, kent ze mensen in Zwitserland, vertelt ze. En ze heeft iemand die haar verder kan helpen in Nederland. Waar ze naartoe gaan? Sariet haalt haar schouders op. Dat maakt haar niet uit.

Van Nederland weet ze niet zoveel, zegt ze lachend. ‘Ik wil er graag naartoe, ze zeggen dat het een heel leuk land is.’ Maar eerst moet ze naar Catania, heeft ze gehoord. Dus gaat ze daar eerst naartoe. Daarna ziet ze wel verder.

Elsevier nummer 20, 16 mei 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.