buitenland

Een kwart eeuw na de bezetting: hoe is het nu in Kuweit?

Door Judith Spiegel - 23 juli 2015

Deze zomer is het 25 jaar geleden dat Irak Kuweit bezette. De bevrijding door Amerika was live op televisie te zien. Bagdad en Kuweit-Stad ­waren dagelijks nieuws. Voor Bagdad bleef dat zo, maar hoe is het nu in Kuweit?

Bij kilometerpaal 1 is een Burger King, daarna slechts woestijn met her en der groepjes kamelen, rijen elektriciteitsmasten en boortorens. Na 80 kilometer sta je aan de Iraakse grens.

Niets herinnert meer aan de honderden uitgebrande Iraakse tanks, bussen, auto’s en lijken die hier 25 jaar geleden lagen. De Highway of Death is nu een zinderend hete, saaie snelweg. Opgeknapt en opgeruimd.

Op 2 augustus 1990 trokken meer dan honderdduizend Iraakse soldaten, geflankeerd door jachtvliegtuigen en tanks, het kleine buurland Kuweit binnen. Gevochten werd er nauwelijks, na een paar uur viel Kuweit-Stad.

De daaropvolgende bezetting – de Iraakse president Saddam Hussein stelde een neef aan als gouverneur van de ‘provincie Kuweit’ – werd wereldwijd veroordeeld. Een traumatische ervaring voor Kuweit, maar er wordt niet veel over gesproken. Toch zijn de littekens overal.

‘Het is alsof ze de geschiedenis willen uitwissen,’ zegt Ibrahim Behbehani (64), nippend aan een American Brew in een koffietent in Kuweit-Stad. Hij praat zacht, zijn stem trilt. Behbehani was gedurende de invasie en de daaropvolgende bezetting hoofd van de Rode Halve Maan, de islamitische variant van het Rode Kruis.

‘Ik heb de afgelopen jaren zo vaak gevraagd of er iets kan worden gedaan voor onze vrijwilligers, maar telkens zeiden ze dat die mensen destijds gewoon hun werk hebben gedaan.’

Hij en zijn team regelden de aanvoer van medicijnen, verzorgden gewonden en haalden doden van de straat. ‘We hebben eens dagen met drie Iraakse lijken lopen zeulen. Ze waren weliswaar de vijand, maar we konden ze toch moeilijk bij het vuilnis gooien. De Iraakse bezetters stuurden ons van het kastje naar de muur. Uiteindelijk hebben we ze naar Basra gebracht.’

Behbehani voelt zich nog altijd ondergewaardeerd en onbegrepen in eigen land. ‘Het maakt me ziek.’

Het ontbreekt in Kuweit inderdaad aan officiële herinneringen. Monumenten, straten vernoemd naar martelaren of groots opgezette musea over de invasie, ze zijn er niet. Misschien is er ook niet al te veel om trots op te zijn. Minstens de helft van de ­Kuweiti’s ontvluchtte het land meteen na de inval.

Zij zaten de daaropvolgende bezetting uit als vijfsterrenvluchtelingen in luxe ­hotels in Londen en Dubai. Dat deel van de Kuweiti’s heeft weinig behoefte aan aandacht voor oorlogshelden; het zou ze wel erg bleek doen afsteken.

De achterblijvers, zoals Behbehani, woonden in een land in moeilijkheden. Martelingen, standrechtelijke executies en verdwijningen waren hun deel. Behbehani besloot een boek samen te stellen over de martelaars van Kuweit.

Hij verzamelde foto’s en verhalen van ruim honderd mensen die tijdens de oorlog zijn gedood. Maar niemand wil het uitgeven. ‘Als mijn boek wordt gepubliceerd, blijkt dat er veel leugenaars zijn die zich een heldenrol proberen aan te meten, terwijl ze eigenlijk in het buitenland zaten.’

Oliemeren

Niet alleen op individueel niveau heerst een gevoel van onbehagen, het hele land is nog altijd onzeker. Veel Kuweiti’s beschouwen hun land als een tijdelijk project. Het ligt er op veel plekken rommelig en versleten bij. Van alle Golflanden spendeert Kuweit het meeste geld buiten de eigen grenzen.

Liever investeert het in onroerend goed in Dubai dan in binnenlandse infrastructuur. In 2013 ging bijna 7,5 miljard euro aan buitenlandse investeringen de grens over. Ter vergelijking met de andere oliestaten: voor Saudi-Arabië was dat 4,4 miljard euro, de Verenigde Arabische Emiraten spendeerden 2,7 miljard over de grens.

Na 2003 – toen de Kuweiti’s ervan overtuigd waren dat Saddam Hussein door de Amerikaanse intocht in Irak definitief was uitgeschakeld – herstelde het vertrouwen enigszins, in elk geval op persoonlijk niveau. De nieuwste en duurste auto’s, gadgets en handtassen worden sindsdien erg goed verkocht. De ene na de andere westerse restaurantketen wordt geopend.

Dat de wegen vol gaten zitten en het pas gebouwde nationale stadion wegens constructiefouten nooit open zal gaan, nemen ze voor lief. Dat zijn zaken van de lange termijn en daarin wordt nog altijd niet echt geloofd.

Nergens zijn de jaren van non-activiteit beter zichtbaar dan in het Burgan-olieveld, in het zuidoosten van Kuweit richting Saudische grens. Hier, in een van de grootste velden ter wereld, brandden destijds honderden oliebronnen: de Iraakse exit-strategie.

Volgens het ministerie van Olie zouden er tussen de 25 en 50 miljoen vaten olie verloren zijn gegaan, resulterend in economische verliezen, maar vooral ook in een ecologische ramp: 300 ‘oliemeren’ en 40 miljoen ton vervuilde grond.

Vandaag is het heet en stil op de stenige – en zwaar bewaakte – vlakte. Smalle pijpleidingen lopen naar de verzamelstations, vanwaar de olie via grotere leidingen naar de raffinaderij of tankers wordt vervoerd.

Her en der rijden oliewerkers in grote auto’s, airconditioning aan, helm op. Overal staan borden met veiligheidsinstructies. Business as usual in Burgan, lijkt het. Tot je je handen in de grond steekt en het zand met vettige olieresten vermengd blijkt.

Dhari Al-Gharabally (41), teamleider ­bodemsanering bij Kuwait Oil Company – Kuweits staatsoliebedrijf en enige producent – geeft een rondleiding langs de oliemeren. Hij wil niet te veel aandacht besteden aan het feit dat die meren nog steeds niet zijn opgeruimd. Liever roemt hij de daadkracht van weleer. ‘Het blussen van de branden zou drie tot zes jaar gaan duren, maar was uiteindelijk in negen maanden klaar. Als je iets wilt, dan lukt het.’

500 miljard

Afgaande op de documentaire Fires of Kuwait uit 1992 was die daadkracht inderdaad indrukwekkend. De film draait hier nog steeds. Elke zaterdagochtend bulderen – in een verder lege bioscoopzaal – verzengende vuurballen over het gigantische scherm van het IMAX-theater in Kuweit-Stad.

Amerikanen met Texaans accent en besmeurde overalls proberen het vuur te bestrijden met dynamiet en geïmproviseerde machines. Waar eerst olie door de leidingen naar de zee liep, wordt nu zeewater naar de olie gepompt om mens en machine nat te houden.

Maar, met de Amerikanen lijkt ook de ‘niet lullen maar poetsen’-spirit te zijn verdwenen, want waarom liggen die olieplassen er 25 jaar later nog steeds? Waarom is er niks gedaan aan 114 vierkante kilometer vervuilde grond met nog altijd onbekende gezondheidsrisico’s?

Geld kan het probleem niet zijn geweest, want hoewel de Iraakse invasie het land veel geld heeft gekost, is Kuweit nooit in financiële problemen gekomen. Sterker, met een bruto nationaal product van zo’n 44.000 euro per hoofd van de bevolking en een staatsfonds dat gevuld is met bijna 500 miljard euro, behoort Kuweit tot de rijkste landen ter wereld.

Saad Alsaad (60) is technisch directeur van Kuwait National Focal Point, het overheidsagentschap dat de opruimingsoperatie coördineert. ‘Het duurde lang voordat het geld van de VN binnen was.’

Met geld van de Verenigde Naties bedoelt hij de ruim 2,6 miljard euro die de United Nations Compensation Commission toewees ter compensatie van het ecologische drama. Deze commissie was in het leven geroepen om de talloze vorderingen tot schadevergoeding af te handelen die na de invasie werden ingediend. In totaal is er zo’n 50 miljard dollar (44,4 miljard euro) aan compensatie betaald.

Dat geld is onder meer afkomstig van het Oil-for-Food Programme, dat Irak in 1995 door de VN was opgelegd. Het land mocht olie verkopen, maar de kopers mochten het geld niet naar Irak overmaken, om te voorkomen dat Hussein er zijn leger mee zou heropbouwen.

Het geld moest naar het compensatiefonds en Kuweit wilde wachten tot dat geld daadwerkelijk binnen was.

Alsaad: ‘Als we het zelf hadden betaald, dan zouden de Irakezen zeggen dat we geen schade hadden.’ Vooral een principekwestie dus. ‘Maar ook het vaststellen van de aard en de omvang van de problemen, het vinden en voorstellen van oplossingen en het goedkeuren daarvan door de VN kostten veel tijd.’

En dan was er nog het jarenlange onduidelijke gesteggel over openbare aanbestedingen – vaste prik in Kuweit. Noch Al-Gharabally, noch Alsaad willen daar veel over kwijt, maar uit een door WikiLeaks gepubliceerde telex van de Amerikaanse ambassade in Kuweit blijkt dat de opruimklus al in 2008 aan een Amerikaans bedrijf was toegewezen.

Lokale agenten van concurrerende bedrijven – die de tender hadden verloren – zouden hun politieke invloed hebben aangewend en de boel hebben getraineerd. Met succes: de betrokken autoriteiten schreven een nieuwe tender uit. Het Britse bedrijf AMEC mag nu aan de slag.

In 2024 moeten de olieplassen zijn opgeruimd, in 2020 moeten vijf natuurgebieden zijn aangelegd en in 2037 moeten de aquifers – watervoerende aardlagen – schoon zijn.  ‘Een strak schema,’ noemt Alsaad het. Een onmogelijk schema, zeggen veel Kuweiti’s.

De grote bouwbedrijven die als onderaannemers van AMEC zullen worden ingeschakeld, zullen een greep doen in de zak beschikbaar geld. Verder gebeurt er niks, denken zij. Zij baseren zich daarbij op tientallen mislukte of nooit gestarte projecten waarbij veel geld is verdwenen, zoals laatst bij de bouw van het nationale stadion.

Pan-Arabisch

Niet alleen de oliemeren liggen er nog, er zijn ook minder zichtbare effecten van de invasie. Neem het onderwijs. Voor de invasie was het gros van de docenten Palestijns, maar omdat de Palestijnse leider Yasser Arafat de kant van Hussein koos, werden de Palestijnen als verraders het land uitgezet. Achteraf tot spijt van velen.

Zij waren goed, werkten hard en waren niet corrupt, hoor je nu overal. De Egyptische docenten die ervoor in de plaats kwamen, staan erom bekend de leerlingen zo weinig mogelijk uit te leggen, om ze vervolgens lucratieve privé­bijlessen aan te bieden. Tijdens die lessen worden volgens hardnekkige geruchten de examenvragen en -antwoorden aan de studenten gegeven.

Een Jordaanse ex-docent aan een militaire academie in Kuweit, die anoniem wil blijven, begrijpt het verschil tussen de ­Palestijnen en Egyptenaren wel. ‘Voor de Palestijnen was dit hun land, ze hadden immers niks anders. Ze waren loyaal aan ­Kuweit, het was hun thuis. Ze gaven hun verdiende geld hier uit.’

Voor de Egyptenaren ligt dat volgens hem anders. ‘Zij proberen zo veel mogelijk te profiteren van Kuweit, maar hebben geen enkele band met het land.’ Het ministerie van Onderwijs is zich bewust van het probleem, maar weet niet hoe het op te lossen.

Je trekt niet zomaar een blik met duizenden nieuwe goede docenten open en het grote contingent Egyptenaren beschermt elkaar.

Palestijnen waren ook soldaat in het Kuweitse leger. En ook daaruit werden ze uiteraard onmiddellijk ontslagen. Een leger van buitenlanders bleek riskant. Althans, van Arabische buitenlanders.

Kuweits leger was, sinds de vondst van olie, net als legers in de rest van de regio, op pan-Arabische (een grote verenigde Arabische staat) leest geschoeid, met grote Sovjet-invloed op zowel materieel als strategisch gebied. ‘Er waren wel westerse allianties, maar op politiek en economisch gebied, niet militair.’

Maar de verwachte solidariteit tussen de Arabische landen tegen de agressie van Saddam – die in de ogen van sommigen juist pan-­Arabisch handelde – bleek ver te zoeken.

Na de bevrijding in februari 1991 door een internationale coalitie die werd geleid door de Amerikanen maakte Kuweit dan ook een razendsnelle omschakeling naar het Westen. ‘Nu heeft het de NAVO-doctrine volledig omarmd,’ zegt de voormalig militair docent.

Materieel, training, alles is op westerse (vooral Engelse en Amerikaanse) leest geschoeid. Kuweit betaalt de Amerikanen daarvoor. ‘Bijvoorbeeld in de vorm van een legerbasis.

Die krijgen ze gratis, met volledige bewegingsvrijheid. Als je over de 7de ringweg rijdt, zie je hoe Amerikaans mate­rieel zich vrijelijk verplaatst – vaak onder escorte van Kuweitse veiligheidsdiensten.’ Wie geen goede buur heeft, moet het hebben van een verre vriend.

Weggemoffeld

Intussen voert het ministerie van Binnenlandse Zaken een campagne om Kuweiti’s hun wapens in te laten leveren. Die bleven achter na de bevrijding en veel Kuweiti’s hebben er voor de zekerheid een paar gehouden. Elke ochtend stuurt het ministerie een sms met het verzoek ze in te leveren op het politiebureau.

Veel gehoor wordt er niet aan gegeven. De politie wordt niet vertrouwd. ‘Dan schrijven ze je naam op, en wie weet wat daar over een tijdje mee gebeurt. Sommigen gooien hun wapen in zee, maar dan weet je nooit wie het opvist,’ zegt een oudere Kuweiti.

Het is een terugkerend geluid: de regering wordt op zijn best niet serieus genomen en op zijn slechtst gewantrouwd. Dat is misschien wel het meest verstrekkende gevolg van de invasie.

Het koningshuis en de regering – die grotendeels uit leden van de koninklijke familie bestaat – hebben veel krediet verloren door te vluchten tijdens de invasie, laat terug te komen na de bevrijding en te weinig van de gehoopte democratische hervormingen door te voeren.

Laat het nu juist een bijzonder ondemocratisch instituut zijn, de Diwan Emiri, dat na al die jaren heeft besloten de weggemoffelde geschiedenis een gezicht te geven.

De Diwan Emiri is een grondwettelijk onduidelijk orgaan, met onbeperkte middelen, dat volledig buiten de controle van het parlement valt. Het besloot een martelaarspark aan te leggen, met een informatiecentrum met video’s van getuigen. Ook Behbehani werd ervoor geïnterviewd.

Het park – 700 meter lang, 100 meter breed – kostte naar verluidt 34 miljoen Kuweiti Dinar, zo’n 100 miljoen euro. Het groen is er inmiddels, de designverlichting ook, maar het informatiecentrum nog niet. ‘Het interview is al maanden geleden opgenomen. Weet jij wanneer dat centrum opengaat? Ik bel ze steeds, maar niemand neemt op.’

Elsevier nummer 31, 1 augustus 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.