Afshin Ellian Afshin Ellian

Schandalige Iraanse fatwa tegen Salman Rushdie is 24 jaar oud

Door Afshin Ellian - 13 februari 2013

Een zonnige dinsdag in Londen. Op 14 februari 1989 belde een verslaggeefster van de BBC hem op zijn privénummer. Hij was in zijn hoofd met andere zaken bezig. Zes dagen eerder hadden hij en zijn vrouw ontdekt dat hun gemeenschappelijke leven niet verder kon.

De verslaggeefster vroeg hem: ‘Hoe voelt het om te weten dat u zojuist ter dood bent veroordeeld door ayatollah Khomeini?’

De Britse schrijver Solman Rushdie beantwoordde deze onverwachte, bijna onbegrijpelijke vraag met een onmenselijke neutraliteit: ‘Het is geen prettig gevoel.’ Eigenlijk dacht hij: ik ben ten dode opgeschreven.

Fatwa

Op 14 februari 1989 sprak de Iraanse leider imam Khomeini een fatwa – de doodstraf – uit tegen Salman Rushdie. Sinds het einde van de middeleeuwen waren er nauwelijks schrijvers en denkers ter dood veroordeeld door buitenlandse religieuze machten. Althans niet in Europa. Aan deze mooie traditie kwam op 14 februari een einde.

Rond die datum kwam ik in Nederland aan. Via de BBC hoorde ik voor het eerst in mijn leven berichten over Rushdie. De BBC meldde ook dat de vertaling van zijn boek Middernachtkinderen een belangrijke, Iraanse literaire prijs had gewonnen. Die prijs was door de toenmalige president van Iran, ayatollah Khamenei, uitgereikt aan de vertaler van dat boek.

Casus belli

Uit solidariteit met Rushdie ging ik naar een V&D-filiaal om de casus belli, De duivelsverzen, te kopen. De medewerkers waren net bezig deze boeken op te ruimen en naar een onopvallende kast te verplaatsen. Dit was al de derde druk van De duivelsverzen in het Nederlands. Ik beloofde mezelf om dit boek zo spoedig mogelijk in het Nederlands te lezen. Acht maanden later begon ik met het lezen van dit boek – mijn eerste in het Nederlands.

Dit door Khomeini uitgevaardigde doodvonnis was uniek. Karel van het Reve schreef er een mooie analyse over.  In ‘Achterlijke artikelen’ schrijft hij dat sinds Filips II in de zomer van 1580 een prijs van 25.000 gouden kronen op het hoofd van Willem van Oranje zette, zich geen vergelijkbaar geval meer had voorgedaan.

De vergelijking was niet van toepassing op Rushdie, omdat Filips II zich beperkte tot zijn rechtsgebied, namelijk Nederland.

Rushdie was geen onderdaan van Iran. En Europa behoorde ook niet tot het rechtsgebied van een Iraanse soeverein.

Fundamentalist

Intrigerend is dat Van het Reve schrijft: ‘Adolf Hitler – ook een fundamentalist – is nooit zover gegaan dat hij een beloning uitloofde voor wie er in slaagde om in Engeland, Frankrijk, Zweden of Amerika Kurt Tucholsky of de gebroeders Mann, of Bertolt Brecht te vermoorden.

Ook Hitlers collega Jozef Stalin, die heel wat schrijvers om zeep heeft laten brengen, beperkte zich tot zijn eigen territorium. Hij heeft nooit een prijs gezet op het hoofd van Ivan Boenin, hoewel die over Karl Marx en zijn profeten veel ergere dingen schreef dan Rushdie over Allah en Mohammed.’

De radicale moslims – imam Khomeini voorop – gingen in het bedreigen en vermoorden van intellectuelen verder dan hun Europese collega’s.

Zware bewaking

In zijn briljante boek Joseph Anton beschrijft Rushdie de jaren waarin hij onder zware bewaking moest leven. Vooraf moet ik iedereen waarschuwen dat de fatwa niet is ingetrokken. Er staat nog steeds een prijs op het hoofd van Rushdie.

Het enige wat is veranderd, is dat de Iraanse regering het Westen heeft beloofd om zelf geen activiteiten te ondernemen tegen Salman Rushdie. De Britse schrijver kan elk moment elders door een radicale moslim worden gedood.

Uit Rushdies boek blijkt dat Iran en de terroristische bv’s die voor de ayatollahs werken, verscheidene keren hebben getracht om Rushdie om het leven te brengen. Hezbollah, maar onder anderen ook Palestijnse terroristische groeperingen hebben plannen gemaakt voor een aanslag op Rushdie – en hebben getracht daaraan uitvoering te geven.

Een aantal van deze samenzweringen is geneutraliseerd door de Britse inlichtingendiensten. Zij hebben niet alleen de taak inlichtingen te verzamelen, maar moeten ook staatsgevaarlijke activiteiten ontmantelen. Ze hebben daarbij de bevoegdheid om terroristen uit de weg te ruimen.

Schaamte

Met een diep gevoel van schaamte heb ik Joseph Anton gelezen. Bij het lezen van het verdrietige verhaal van Rushdie worstelde ik telkens met de vraag waarom zo veel Iraniërs, vooral intellectuelen, zwegen over de moorddadige uitspraak van Khomeini.

Iraniërs moeten zich diep schamen voor hun passiviteit. De meeste onder hen, ook die in het buitenland, durfden de fatwa niet openlijk en onvoorwaardelijk te kritiseren. Soms veroordeelde een Iraniër de fatwa, maar voegde daar meteen aan toe dat Rushdies boek zeer verwerpelijk is en dat hij zich de woede van moslims kan voorstellen. Eigenlijk werd daarmee indirect de grondslag van de fatwa erkend.

Ellende

Iran was en is verantwoordelijk voor alle ellende, angst en vrees veroorzaakt bij Rushdie en de Britse samenleving. Ooit moet vanuit Iran een onvoorwaardelijk mea culpa worden uitgesproken over de fatwa tegen Rushdie.

De fatwa tegen de schrijver getuigt van diepgewortelde geweldsfantasieën en intolerantie in de Iraanse en de islamitische cultuur, en van een passieve houding bij het Iraanse volk. Zonder zelfkritiek kan het Iraanse volk nooit vrijheid, democratie en tolerantie bereiken.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.