Turks toneel bewijst: islam en rechtsstaat gaan niet samen

10 juni 2013

Erdogans grootheidswaanzin beweegt hem ertoe anderen de les te lezen. Maar wat de Turkse premier voor de zoveelste keer aantoont, is dat de islam en de rechtsstaat onverenigbaar zijn.

De Turkse premier Recep Tayyip Erdogan heeft het lang volgehouden in zijn rol als democraat in het toneelstuk Het Turkije-model, waarin talloze wereldleiders als figuranten dienden.

Hun taak was hem schouderklopjes te geven omdat hij een voorbeeldige leider zou zijn, zo luidde althans de toneeltekst. Ze moesten het ‘Turkije-model’ bewieroken. En de kudde, wij dus, riep daarbij eendrachtig: lang leve democraat Erdogan.

Tegen het einde van de opvoering ontvouwt zich het hoogtepunt. Het hoofdpersonage blijkt een meedogenloos, zichzelf ontmaskerend figuur. In Erdogans geval heet deze laatste scène: de Ontmaskering van de Democraat.

Amateurtoneel

Fictief is zij geenszins. Erdogan zei als burgemeester van Istanbul ooit: ‘Democratie is net als een trein, je stapt eruit wanneer je op je bestemming aankomt.’ Zo gezegd, zo gedaan. De democraat blijkt nu een sultan die demonstranten in zijn land ‘extremisten’ en ‘klootzakken’ noemt.

Het is betreurenswaardig dat wij, burgers van democratische staten, de afgelopen jaren ongevraagd onderdeel waren van dit amateurtoneel waarin de Turkse premier nog net niet heilig werd verklaard.

Het zaligmakende ‘Turkije-model’ waarin Erdogans AK-partij zou hebben bewezen dat islam en democratie verenigbaar zijn, vormde volgens weldenkende naties een voorbeeld voor de islamitische wereld.

Pure betekenis

Deze strategie had als doel ons te doen wennen aan het idee dat Turkije straks als een ‘normaal’ land tot de Europese Unie kan toetreden.

Wat Erdogan nu voor de zoveelste keer bewijst, is dat de islam en de rechtsstaat moeilijk, zo niet onmogelijk, verenigbaar zijn. Islam en democratie gaat misschien nog wel, uitgaande van de pure betekenis van dat laatste, waarin het houden van open verkiezingen centraal staat.

Maar islam en rechtstaat waarin persvrijheid, respect voor minderheden, non-discriminatie en vrijheid van meningsuiting centraal staan, is een combinatie die zich net zo slecht laat mengen als olie en water.

Dictatuur

Zo heeft sultan Erdogan meer journalisten gevangen gezet dan bijvoorbeeld China. De Amerikaanse denktank Reporters Without Borders publiceerde onlangs The World Press Freedom Index 2013 waarin 179 landen werden onderzocht. Turkije eindigde op plaats 154, net voor Wit-Rusland en Afghanistan en achter een militaire dictatuur als Birma.

Respect voor minderheden kent Turkijes sultan noch zijn partij niet. In de nieuwste editie van een Turks geschiedenisboek worden christenen ‘landverraders en economische vluchtelingen’ genoemd die als ‘marionetten voor westerse politieke en religieuze doeleinden’ worden gebruikt.

Tevens bestempelde de US Commission on International Religious Freedom (2012) Turkije als ‘Country of Particular Concern’ (CPC), een status die tot nu toe voorbehouden leek aan landen als Saudi-Arabië en Noord-Korea.

Door de knieën

Overigens is Erdogans eerbied voor zijn militaire bondgenoten, die zich keer op keer laten vernederen, ook ver te zoeken. Ik roep in herinnering de wijze waarop hij zich heeft gedragen toen bekend werd dat de Deense premier Anders Fogh Rasmussen de nieuwe secretaris-generaal van de NAVO zou worden.

Rasmussens opstelling gedurende de Deense cartoonrellen (2007), zo vond Erdogan, duidde op gebrek aan respect voor de islam. Daarom heeft Turkije zijn benoeming lang geblokkeerd, waarna de westerse politici door de knieën gingen. Erdogans chantage leverde hem omvangrijke NAVO- en EU-compensaties op.

Glorieus verleden

Zo werd een nieuwe functie gecreëerd: adjunct-secretaris-generaal van de NAVO, die door een Turk mocht worden bekleed – Rasmussen moest hiermee aantonen dat hij niets tegen moslims heeft. Eveneens zou de speciale NAVO-gezant in Afghanistan een Turk worden. En Turkije is een plaats in het Europese Defensie Agentschap toegezegd.

In Erdogans hoofd is het verlangen naar het, in zijn ogen, glorieuze verleden gevaarlijk groot. Het Ottomaanse Rijk (1453-1918) heeft daarbij zijn bijzondere belangstelling. Uiteraard vanwege de centrale rol die de Turken speelden in het enige rijk dat de islamitische wereld ooit heeft gehad.

Napoleon

Dat de glorie van dat rijk was gestoeld op de ellende van miljoenen, doet hem niets. De Ottomaanse misère werd prachtig verwoord door de Syrische dichter Abd al-Rahman al-Kawakibi (1849-1902). In zijn werk De aard van het despotisme veegde hij de vloer aan met de vernederende manieren waarop de Ottomanen hun onderdanen behandelden.

Veelzeggend is daarom de observatie van Napoleon, die in 1798 Egypte, destijds een Ottomaanse provincie, binnenviel. Het viel hem op dat christelijke vrouwen één blauwe en één rode schoen droegen en dat christelijke mannen met hun paarden uitsluitend naar achteren galoppeerden. Dit was om christenen in het Turkse rijk te kunnen herkennen.

Leermeester

Erdogans grootheidswaanzin beweegt hem ertoe anderen de les te lezen. Zo moest de Syrische president Bashar al-Assad een luisterend oor bieden aan de wensen van het Syrische volk. Erdogans woorden waren: ‘Hoe durft Al-Assad zijn volk weg te zetten als extremisten en vandalen? Ik zeg hem: luister of treed af.’

Mijnheer Erdogan, de honderden ‘extremisten’ die u naar Syrië hebt gestuurd, hebben nu ontdekt dat de route Istanbul-Aleppo een tweerichtingsweg is. Ze komen nu terug en flikken u het kunstje dat u, hun leermeester, ze hebt geleerd.

Neemt u alstublieft een koekje van eigen deeg?

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.