Gods onverschilligheid over menselijk leed is onbegrijpelijk

19 augustus 2014

Als Hij almachtig is, waarom grijpt God dan niet in bij het enorme lijden en het onrecht dat zich voor onze ogen voltrekt? Een j’accuse aan het adres van de Schepper.

Waar is God, de rechter van de aarde?
Waar blijft de vervulling van zijn belofte over vrede en rechtvaardigheid?
Waarom staat hij de bloedrivieren toe die vloeien in het Midden-Oosten en elders?
Waarom staat hij toe dat mensen die hem blijven aanbidden met het zwaard worden beloond?
Wat voelt hij bij het zien van zo veel onvoorstelbaar kwaad?
Moet hij ook wenen?
Wordt hij weleens woedend over de wreedheid die zich meester maakt van deze planeet?
Waarom grijpt hij niet in wanneer de mens, schepsel naar zijn gelijkenis, zo gruwelijk wordt vertrapt door een medemens?
Waarom laat hij zijn almacht niet zien?
Is hij wel de koning van het goede?
Moet zijn koningschap niet juist in oorlogstijd krachtig aanwezig zijn?
Hoe kan hij aanzien dat de wettelozen juichen terwijl zij onschuldigen ter dood veroordelen?
Is hij wel het levenslicht dat in de woestijn van de mensheid kan schijnen?
Waar blijven zijn wonderen die hij volgens het Woord zegt te kunnen verrichten?

Woeste tijden

De formaliteiten die gewoonlijk bestaan in de relatie tussen God en zijn aanbidders, heb ik kort geleden min of meer losgelaten. Ik heb ze vervangen door een reeks aanklachten over zijn afwezigheid in deze woeste tijden.

Mijn j’accuse aan zijn adres betreft zijn onverschilligheid. Dat zo veel bloed hem niet beweegt tot interventie, ontstijgt mijn begrip. Je bent almachtig, en dus tot alles in staat, of je bent het niet.

Tegelijkertijd was ik zoekende naar de oorsprong van het kwaad. Is God, de schepper van hemel en aarde, ook de schepper van het kwaad? Legt het kwaad zich aan ons op of hebben wij daarin keuze en kunnen wij het mijden?

Ontzagwekkend

De strijd tussen goed en kwaad, tussen deugd en ondeugd, is onderdeel van het bestaan voordat God zich openbaarde. Maar in een maakbare samenleving als de onze, behoren gedachtewisselingen over deze ontzagwekkende zaken niet tot de gebruikelijke onderwerpen van het publieke debat.

De rationele burgers kunnen immers alles naar hun hand zetten en dus zullen zij bij het creëren van hun mini-paradijsjes nooit het slechte kiezen.

Op een bepaalde manier ontleent deze visie inspiratie aan de denkbeelden van Socrates. Hij dacht namelijk ook dat geen wijze man opzettelijk en vrijwillig kwade handelingen zal verrichten omdat hij de gevolgen daarvan kan overzien. Daarom dringt het kwaad zich volgens hem op, aangezien ‘niemand het slechte wenst’.

Zinkend schip

Daartegenover stond Aristoteles, die stelde dat slechtheid vrijwillig is. Zijn bewijs hiervoor ontleende hij aan het feit dat rechters mensen bestraffen die zich schuldig hebben gemaakt aan kwaadaardige zaken.

Dit zou impliceren dat rechters geloven dat het kwaad een keuze is en geen onvrijwillige omstandigheid. Voor Aristoteles waren het kwaad en de intentie twee kanten van dezelfde medaille. Wie van een zinkend schip goederen overboord gooit, verliest de goederen maar redt zijn eigen leven.

Voortbordurend op Aristoteles’ visie over de vrijwilligheid achter kwade handelingen, kwam de Italiaanse theoloog Thomas van Aquino met prachtige, eloquente gedachten over hetzelfde thema.

In het derde boek van Summa contra Gentiles, beweerde hij dat het goede (‘datgene dat iedereen wenst’) de toevallige oorzaak is van het kwade (‘het ontvreemden van zaken bij wezens die er van nature recht op hebben’).

De aard van het kwaad

Alleen wie het goede kent, kent het tegenovergestelde daarvan. Wie niet weet wat iedereen wenst, kan niet weten dat ontvreemding van bepaalde natuurrechten onbehoorlijk is. Maar Aquino verschilde met Aristoteles van mening over de relatie tussen het kwaad en de intentie en over de aard van het kwaad.

Voor Aquino was de uitkomst van de handeling belangrijker dan haar intentie. Ook was het kwaad geen regulier gegeven of zelfstandig iets dat bestaansrecht had op basis van een duidelijke en afgebakende kern maar alleen van belang in relatie tot andere dingen.

Zo is de geboorte van monsters op zichzelf geen kwaadaardige zaak. Dat wordt het pas wanneer de gevolgen voor de gemeenschap en misschien wel voor de mensheid worden onderkend.

Ongrijpbaar

Maar als het goede toevalligerwijs tot het kwade kan leiden, leidt het kwaad dan ook tot het goede? Komt uit het bittere het zoete voort, zoals het bijbelse boek van de Rechters stelt?

Zo ja, dan is de prijs die nu in het Midden-Oosten wordt betaald, te hoog. De gruweldaden die zich dagelijks voltrekken voor onze ogen, lijken te veel om tot iets te leiden anders dan de mensheid op haar ziel te trappen.

Het kwaad bereikt ons tegenwoordig niet langer als een gentleman maar toont zich als een zevenkoppig monster dat zich moeilijk aan ons blikveld kan onttrekken. Niemand kan het over het hoofd zien en niemand kan beweren dat het ongrijpbaar is.

Het gebeurt voor onze ogen, in onze levenstijd en we aanschouwen het als toeschouwers van theatervoorstelling waarin de Romeinse keizer Nero de hoofdrol speelt. Deze passiviteit vind ik even onbegrijpelijk als de onverschilligheid van God over het lot van zijn schepsels.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.