Afshin Ellian Afshin Ellian

Obama erg selectief in verdedigen vrijheid van meningsuiting

Door Afshin Ellian - 05 januari 2015

De Amerikaanse president nam ferm stelling tegen het – inmiddels opgeheven – verbod op speelfilm The Interview. Maar toen een koranverbranding werd verfilmd, was Obama zelf de censor.

De Amerikaanse president Barack Obama is ineens een vurig pleitbezorger van de vrijheid van meningsuiting geworden. Maar zijn intimidaties in de richting van de conservatieve media zijn we niet vergeten.

Ook was Obama tegen de vertoning van een filmpje dat door de Amerikaanse dominee Terry Jones was gemaakt. Jones wilde de Koran verbranden. En hoe we ook denken over zijn handeling, het viel onder de vrijheid van meningsuiting.

Voor alle duidelijkheid: ik ben tegen de boekverbranding. De Amerikaanse regering heeft geprobeerd om de koranverbranding en de verfilming daarvan door Terry Jones te belemmeren.

De Amerikaanse regering stond ook toen onder leiding van president Obama.

Vlag

Obama was van mening dat Jones’ koranverbranding en de vertoning daarvan Amerikanen buiten de Verenigde Staten in gevaar zouden brengen. De vraag was of dit een grondslag vormt om de vrijheid van meningsuiting te bepreken. Het staat in elk geval nergens in de Amerikaanse Grondwet.

Precies om die redenen mag de Amerikaanse regering de vrijheid van meningsuiting niet inperken. Van de wet mag Jones de Koran, de Amerikaanse Grondwet, de Bijbel en zelfs de Amerikaanse vlag verbranden.

Geen warm hart

Uit deze en andere affaires hebben we geleerd dat deze Amerikaanse regering de vrijheid van meningsuiting geen warm hart toedraagt. Weliswaar verhindert de Amerikaanse wetgeving de regering om de vrijheid van meningsuiting van burgers zomaar te beperken.

Niettemin probeerde Obama Terry Jones te intimideren door op allerlei manieren druk op hem uit te oefenen teneinde de koranverbranding te voorkomen. Dat is hem niet gelukt. De Koran is verbrand en Terry Jones leeft nog.

Sindsdien zijn er ook nog geen apocalyptische fenomenen waargenomen in de grote oceanen of in Amerika zelf. Ook daarna gebeurde niet veel. Behalve dan de gebruikelijke en goed georkestreerde dag van woede in het Midden-Oosten.

Zulke demonstraties en woedeuitbarstingen in het Midden-Oosten leiden zelden tot verbazing in het Westen.

Gekrenkte entertainers

Opnieuw wordt in de Verenigde Staten de vrijheid van meningsuiting beproefd, met een ander type hoofdrolspelers: een multinational (Sony), de gekrenkte entertainers (Hollywood) en de slechterik (Noord-Korea).

Zelden is een land of een regime een perfectie van onze voorstelling van het kwaad. Noord-Korea is dat wel. De demonisering van Noord-Korea door buitenstanders is onnodig. Dat doen ze zelf al.

Noord-Korea kent een totalitair regime dat tot de tanden is bewapend. Maar een onmiddellijk gevaar voor Europa of Amerika vormt het land niet. Noord-Korea is wel een existentiële bedreiging voor Zuid-Korea en Japan.

Boos

Het bedrijf Sony werd slachtoffer van een succesvolle cyberaanval. Daarna beweerde het te zijn aangevallen door het Noord-Koreaanse regime. Noord-Korea wilde zo de vertoning van de speelfilm The Interview voorkomen.

Ook dat werd geregeld voor Noord-Korea. Sony kondigde aan dat de film niet zou worden vertoond. President Obama werd boos: de vrijheid van meningsuiting was in gevaar.

Wat een presidentiële ontdekking! De Amerikaanse president vond het onaanvaardbaar dat een film onder de dreiging van een dictatuur wordt verboden. Dat is helemaal waar.

De Amerikaanse regering zette de bedrijven onder druk om de film uit te zenden. En Sony werd omgepraat door de Amerikaanse regering. Waarom volgde de Amerikaanse regering niet dezelfde redenering als in de zaak van Terry Jones?

Scholier

De film The Interview is een buitengewoon slechte productie. Het is een komische film die slechts uit het brein van een mislukte middelbare scholier kan voortkomen. Het zijn grappige fantasieën van een scholier achter elkaar gezet. Meer niet.

En als het regime van Noord-Korea niet heftig had gereageerd, hadden we waarschijnlijkheid nooit van deze film gehoord. Daarom blijft het onbegrijpelijk dat een bedrijf als Sony deze film steunde.

Het was niet meer dan een slechte propagandafilm tegen het Noord-Koreaanse regime. In The Interview wordt een succesvolle aanslag gepleegd op de Noord-Koreaanse leider. Politiek gezien is dit een nogal onaangename vertoning.

Cyberaanval

Binnen de grenzen van de internationale betrekkingen zouden staten en staatshoofden een aanslag op een ander staatshoofd niet moeten aanmoedigen of goedpraten. Niettemin achtte de Amerikaanse president het zijn plicht om het voor deze film op te nemen. Plotseling wordt de vrijheid van meningsuiting heel belangrijk.

De cyberaanval is waarschijnlijk niet door Noord-Korea zelf gepleegd. Wellicht heeft het regime hackers betaald om een dergelijke aanval uit te voeren. Dit zou wel moeten leiden tot een gepaste reactie. De cyberaanval en niet de film The Interview zou een reactie van de Amerikaanse president kunnen uitlokken. Het zou ook niet onlogisch geweest zijn.

Supermacht

Nu de Amerikaanse president het onomwonden heeft opgenomen voor de vertoning van een film waarin de leider van een ander land wordt vermoord, verwacht de Amerikaanse wereld dat de supermacht ook in andere zaken opkomt voor de vrijheid van meningsuiting.

De les die we kunnen leren: maak geen inhoudelijk onderscheid en verdedig het recht op vrijheid van meningsuiting voor iedereen.

Formeel gezien had de Amerikaanse president het ook voor Terry Jones moeten opnemen.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.