Rik Kuethe

Vrede zonder Assad gaat niet, gezwalk van Kerry is heel onhandig

Door Rik Kuethe - 18 maart 2015

Na vier jaar vechten is het zonneklaar dat de machten die het opnemen tegen Assad zo mogelijk nog duisterder zijn dan de president zelf. De denkbeeldige rode lijn die de Amerikanen trokken in Syrië, blijkt een stippellijntje.

De treurnis van het Amerikaanse beleid inzake de nu al vier jaar durende burgeroorlog in Syrië kan niet beter worden aangetoond dan door de volgende trits recente ontwikkelingen.

Eerst breekt de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry in een CBS-interview met de strak vastgehouden lijn en oppert dat president Bashar al-Assad moet worden betrokken bij een vredesoverleg.

Dat is bijna vloeken in de kerk voor de Verenigde Staten. Hij liet daarbij het Amerikaanse mantra dat Assad moet verdwijnen plots achterwege.

Assad op zijn beurt wees die gedachte hooghartig af en ten slotte volgde uit Washington een démenti: Kerry is verkeerd begrepen en wil geen directe onderhandelingen met Assad.

Puin en raketten

Sinds op 15 maart 2011 de ellende in Syrië begon met het wreed onderdrukken van vreedzame demonstraties, is het land veranderd in één groot Guernica. De macht komt uitsluitend nog uit de loop van een geweer.

Het blijft puin en raketten regenen, en het valt met het blote oog nauwelijks te onderscheiden wie tegen wie in het strijdtoneel treedt. Syrië lijkt op een kapotte kindercaleidoscoop: hoe hard je er ook aan schudt, de stukjes vallen met geen mogelijkheid meer in een keurig patroon op hun plaats.

Na slepende oorlogen in Irak en Afghanistan stond president Barack Obama in 2011 niet te trappelen om aan een nieuwe interventie te beginnen in een islamitisch land. Dat is begrijpelijk genoeg. Maar de koers die hij insloeg, was wel bijzonder zigzag.

Rode lijn

Washington trok voortdurend een denkbeeldige rode lijn in Syrië. Zo gauw Assad chemische wapens zou inzetten, zouden hel en verdoemenis volgen. Die lijn werd overschreden, hel en verdoemenis bleven echter uit. Zo werd de afgetekende rode lijn een stippellijntje.

Inmiddels hadden extremistische entiteiten als IS en Al-Nusra een prominente plaats op het Syrische (en Iraakse) strijdtoneel veroverd. Met het onthoofden van de redders in de nood van Syrië illustreerde IS hoezeer haar ‘staat’ een kalifaat van het kwaad is geworden.

Vorige herfst besloten Kerry en zijn Russische collega Sergei Lavrov in Parijs samen te werken bij de bestrijding van IS, zij het voorlopig alleen op het gebied van het inlichtingenverkeer. Want Moskou, een van de weinige trouwe bondgenoten van Assad, en Washington hebben één angst gemeen, namelijk de strijders van IS juichend onder hun zwarte doodsvlaggen de poorten van de Syrische hoofdstad te zien binnenmarcheren.

Nog duisterder

John Brennan, de directeur van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA, heeft dezer dagen in een toespraak voor de Council on Foreign Relations gewaarschuwd tegen deze extreem gevaarlijke mogelijkheid. In dit opzicht hebben Washington en Damascus dus ook hetzelfde belang.

Iets meer dan een jaar geleden, in januari 2014, had Kerry in Genève nadrukkelijk gezegd dat er geen plaats was voor Assad, noch aan de onderhandelingstafel noch in het toekomstige politieke bestel van zijn land.

Na vier jaar vechten is het zonneklaar dat de machten die het opnemen tegen Assad zo mogelijk nog duisterder zijn dan de president zelf. Het valt te betreuren – en is een bewijs van het zwalken in Washington – dat John Kerry zijn loffelijk streven om toch toenadering tot Assad te zoeken maandag al ontkende.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.