Emerson Vermaat

Moslimextremisten maken al jaren misbruik van asielprocedures

Door Emerson Vermaat - 23 juni 2015

Al sinds 1995 rapporteren inlichtingendiensten over ­misbruik van asielprocedures door moslimextremisten. Het hielp niet.

Het is bij het grote publiek minder bekend en vluchtelingenorganisaties zwijgen er doorgaans over: terroristen en radicale moslims maken op relatief grote schaal misbruik van de asielprocedures van westerse landen.

Hoewel ze bij hun asielaanvragen hebben verklaard niet naar hun moederland te kunnen terugkeren omdat het daar te gevaarlijk voor hen is, keren ze vaak wel terug om in het land van herkomst te gaan vechten of zetten ze de strijd voort vanuit de landen die hun asiel verleenden.

Dit probleem speelt veel langer dan vandaag. Westerse inlichtingendiensten rapporteren er al over sinds 1995. Op deze wijze importeren Europa, Amerika en Australië de conflicten uit de landen waar deze terroristen en radicale moslims vandaankomen en dat is bepaald ongewenst.

Zorg

In het voorjaar van 1998 rapporteerde de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD, de voorganger van de AIVD): ‘De belangrijkste naar Nederland gevluchte radicale moslims hebben de Egyptische, Tunesische en Algerijnse nationaliteit. Zij vormen kleine, onderling verweven netwerken van Al-Jamaa Al-Islamiya (AJAJ), Front Islamique Tunesien (FIT) en Groupe Islamique Armé (GIA).

Hun grootste zorg vormt vooralsnog het verkrijgen van een verblijfsstatus, zodat zij vrij kunnen reizen in de westerse wereld. Tegelijkertijd houden zij zich op conspiratieve wijze bezig met de ondersteuning van de strijd in de moederlanden en in diverse islamitische brandhaarden.’

Ook schreef de BVD: ‘Via het asielkanaal krijgen diverse radicale splintergroepen van tijd tot tijd nieuwe aanwas.’ En: ‘Deze asielzoekers kunnen rekenen op steun van de hier reeds verblijvende geestverwanten.’

In april 2001 waarschuwde de BVD voor ‘islamitische oorlogsveteranen’ en personen die ‘als asielzoeker of illegale migrant hun toevlucht zochten in westerse landen en trachtten, geholpen door de sterk verbeterde communicatiemogelijkheden, van daaruit de strijd voort te zetten of te ondersteunen’.

In dit rapport, dat vijf maanden vóór de aanslagen van 11 september 2001 verscheen, werd ook melding gemaakt van de kwalijke rol die Osama bin Laden en zijn Al-Qa’ida-organisatie speelden. Ik had dat zelf al gedaan in februari 1997, in mijn boek In Naam van Allah… Islamitisch fundamentalisme en terrorisme.

Terroristen

In zijn jaarverslag 2002 waarschuwde de AIVD opnieuw: ‘In de loop van de afgelopen tien jaar hebben vooraanstaande leden van radicaal-­islamitische groepen met wisselend succes de asielprocedures doorlopen, waarbij begrijpelijkerwijs slechts zelden gebruik werd gemaakt van hun ware identiteit. Vooral voor personen die langere tijd in Europa willen verblijven, is het een interessante optie om gebruik te maken van het asielkanaal. Ook als een asielaanvraag in het verleden uiteindelijk werd afgewezen, maakte deelname aan de asielprocedure veelal een jarenlang verblijf in Nederland mogelijk.’

Ditzelfde is in België, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië, Groot-Brittannië en Scandinavië het geval. In Hamburg bijvoorbeeld probeerde de uit Jemen afkomstige Ramzi bin Al-Shibh zijn verblijf in Duitsland via asielprocedures zo lang mogelijk te rekken. Hij fungeerde als contactpersoon van Al-Qa’ida.

Eind maart 1996 wilde toenmalig Egyptisch president Hosni Mubarak een conferentie beleggen over het misbruik dat terroristen en radicale moslims maakten van de asielprocedures in Europa, waar zij een veilige haven zochten om van daaruit de strijd voort te zetten, wetend dat ze weinig kans liepen te worden uitgezet naar hun moederland.

Ik was bepaald geen fan van Mubarak, hij kan inderdaad worden gezien als een dictator. Maar soms is een dictator te verkiezen boven chaos en burgeroorlog, zoals we die nu in Syrië, Irak en Libië zien. Ik heb indertijd ook begrip gehad voor de ingreep van het Algerijnse leger, toen moslimfundamentalisten in Algerije aan de macht dreigden te komen.

In de islamitische wereld gelden helaas andere regels dan in westerse samenlevingen. Het enige land waar de ‘Arabische Lente’ niet op een fiasco is uitgelopen, is Tunesië.

Onderdak

Mubarak zei eind maart 1996 dat hij al in 1986 had gewaarschuwd dat het terrorisme zich vanuit het Midden-Oosten zou verspreiden. Hij zei ook dat Sudan en andere landen onderdak boden en hulp gaven aan terroristen. Hij noemde met name Groot-Brittannië, waar Egyptenaren die in Egypte van terrorisme werden verdacht, politiek asiel hadden gekregen.

Hassan Al-Alfi, de toenmalige Egyptische minister van Binnenlandse Zaken, verklaarde eind maart 1996 dat Egypte wilde voorkomen dat terroristen van het ene naar het andere land konden reizen, geld inzamelden en politiek asiel kregen. Geradicaliseerde Arabische moslims hadden in Bosnië als jihadist gestreden en waren daarna in Oost-Europese landen opgedoken.

In Pakistan was de Egyptische ambassade in ­november 1995 doelwit van een aanslag. Zowel in Pakistan als in Egypte werden arrestaties verricht. Het bleek dat de daders van de aanslag hun instructies hadden ontvangen van leiders van terreurnetwerken die vanuit Sudan en Groot-Brittannië opereerden.

Bomaanslagen

In december 1995 werden in Egypte 56 extremisten van de terreurgroep Al-Jihad opgepakt. Ook werd een grote hoeveelheid geld en wapens aangetroffen. Het plan zou zijn geweest om de Egyptische ambassade in Jemen op te blazen. Onder de gearresteerden waren vijf Sudanezen.

Zij verklaarden dat zij in Sudan waren getraind in het plegen van bom- en zelfmoordaanslagen. Enkele van de arrestanten verklaarden dat zij hun training hadden ontvangen van Jasir Sari en Adil Abdul Majid, die beiden in Groot-Brittannië politiek asiel hadden gekregen.

Op 13 maart 1996 was in de Egyptische badplaats Sharm Al-Sheikh een belangrijke conferentie over de dreiging van het internationale terrorisme, waaraan vertegenwoordigers uit 29 landen deelnamen. De Britse premier John Major verklaarde kort na de top dat Groot-Brittannië zijn asielbeleid in heroverweging zou nemen.

Hij zei dat het tijd was om niet alleen te letten op hen die terreurdaden plegen, maar óók op hen die misbruik maken van politiek asiel om elders zulke terreurdaden mogelijk te maken.

Uitzetting

Maar Majors toezegging was weinig waard, het asiel­beleid bleef gevaarlijke terroristen, onder hen ook oorlogsmisdadigers, onderdak verschaffen. Rechters en dure advocaten verzetten zich tegen verscherping van de Britse asielregels.

Uitzetting werd vaak ernstig bemoeilijkt of vertraagd, en dat terwijl de Conventie van ­Genève inzake de status van vluchtelingen bepaalt dat aan oorlogsmisdadigers en diegenen die ‘zich schuldig hebben gemaakt aan handelingen die strijdig zijn met het doel en de beginselen van de Verenigde Naties’ geen asiel mag worden verleend.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.