Syp Wynia

Een euro zonder Griekenland is voor iedereen een opsteker

Door Syp Wynia - 01 juli 2015

Griekenland is een bijzonder geval. Deze staat kon twee eeuwen geleden ontstaan, omdat Frankrijk, Engeland en Rusland militaire steun gaven aan het nationalistische verzet tegen de Ottomaanse sultan.

Al sinds 1830 is Griekenland in meerdere of mindere mate een protectoraat van buitenlandse mogendheden, die het land naar gelang de omstandigheden financieel of militair bijstaan. Na 1945 was de steun er vooral op gericht Russische invloed in Griekenland tegen te gaan.

Zo werd Griekenland al vroeg (1952) ingebed in de NAVO en kon het land al in 1981 lid kon worden van de Europese Economische Gemeenschap, de voorloper van de Europese Unie. Het was eind jaren negentig een brug te ver om Griekenland meteen het eurogebied in te loodsen, maar in 2001 kwam het er alsnog van, waarbij veel door de vingers werd gezien.

Welvaart

Er volgden zeven mooie jaren van geleende welvaart voor Griekenland. De Griekse staat, burgers en bedrijven konden meeliften op de lage rente die het gevolg was van het vertrouwen dat de euro genoot als quasi-opvolger van de Duitse mark. De financiers bleken goed te hebben gegokt, want toen de Griekse luchtbel in 2008/2009 barstte, schoten de andere eurolanden op initiatief van Frankrijk en Duitsland te hulp.

Hoewel het volgens de grondslagen van de euro verboden was, trokken de andere eurolanden samen met het Internationaal Monetair Fonds Griekenland vanaf voorjaar 2010 met honderden miljarden uit de put. Het merendeel van de Griekse staatsschuld verschoof naar burgers van de rest van de eurozone.

In 2012 moesten particuliere geldschieters van Griekenland overigens alsnog een deel van hun vorderingen opgeven. Dat deden de andere landen van de eurozone toen ook, door aflossingen naar de toekomst te verschuiven en de rente op nagenoeg nul te zetten.

Meteen failliet

Het was beter geweest Griekenland in 2010 meteen al failliet te laten gaan en niet wanbeleid te belonen door te hulp te schieten. De Franse president Nicolas Sarkozy en de Duitse bondskanselier Angela Merkel besloten anders. Geen land mocht naar hun zeggen de euro uit. Er was kennelijk te veel politiek kapitaal in de euro gestoken en te veel echt geld van Franse en Duitse banken aan Griekenland geleend om het land als euroland te laten vallen.

Het maakte de eurozone wel vatbaar voor de chantage vanuit Griekenland, die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Sinds de links-nationalistische regering-Tsipras in januari in Athene aan de macht is, probeert Merkel aan die chantage te ontkomen, met de suggestie dat het nu geen ramp meer zou zijn als Griekenland onverhoopt toch uit het euro- kamp zou wegvallen. Premier Alexis Tsipras weet echter maar al te goed dat een Grexit tevens het failliet zou zijn van vijf jaar kostbaar Merkel-beleid om Griekenland erbij te houden.

Sprong in het duister

Hiermee kon Tsipras Merkel aan het lijntje houden. De lancering van de euro was als zodanig al een sprong in het duister. Zowel politiek als economisch was het idee zwak gefundeerd en geborgd. Dat werd er bepaald niet beter op toen landen met een bedenkelijke monetaire traditie als Griekenland werden toegelaten tot het eurogebied.

Een vertrek van Griekenland uit de eurozone was vijf jaar geleden al veel beter geweest, op termijn ook voor Griekenland zelf. Als het er nu alsnog van komt, is er veel tijd, geld en energie gestoken in een doel dat alsnog moet worden opgegeven.

De prijs die nu door een land als Nederland moet worden betaald voor een vertrek van Griekenland uit de euro, is een stuk hoger dan die in 2010 zou zijn geweest. Voor de houdbaarheid en stabiliteit van de euro is de eurozone zonder Griekenland echter nog steeds een opsteker.

Op een koopje zal het niet gaan, ook niet met een Griekenland zonder euro. Maar dat geldt eigenlijk al sinds 1830.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.