Rik Kuethe

Vietnam-syndroom hield oorlog tegen terreur lang in zijn greep

Door Rik Kuethe - 20 augustus 2015

Na dramatische oorlog in Azië waren de Amerikanen nog decennia bezig met het stelpen van hun mentale wonden.

‘Geleid door Goodwins stem sleepten ze de gewonde marinier naar de mitrailleurstelling. De pelotonshospik kroop er heen om te beginnen aan de eerste gewonde van de velen die er nog zouden volgen. Het kon niemand iets schelen wat de explosie waardoor de soldaat gewond was geraakt, had veroorzaakt. De mariniers waren allang blij dat ze weer binnen de linies bij hun vrienden waren.’

Geen veteraan heeft de verschrikking van de Vietnamoorlog beter beschreven dan oud-marinier Karl Marlantes in zijn boek Matterhorn, waaraan dit citaat is ontleend. Vietnam, waar honderdduizenden Amerikaanse militairen moesten vechten in het altijd klamme, immer verraderlijke groen van een land een halve wereld weg van mom en dad op de ranch.

Zoekend naar een uitweg uit de jungle vol bloedzuigers en boobytraps, in de eeuwige dubbelzinnigheid van een buitenlandse deelnemer aan een burgeroorlog. Het machtige Amerika in de rol van Gulliver die steeds strakker wordt ingesnoerd door de lilliputters van de Vietminh en de Vietcong.

Terwijl de gooks of Charlies, zoals zij hun Vietnamese vijanden noemden, waren doordrongen van het hogere doel van hun missie – het vestigen van een communistische heilstaat – vroegen steeds meer Amerikanen zich af wat zij zwaarbepakt in die dampende Aziatische wokpan eigenlijk te zoeken hadden.

Dominotheorie

De notie dat als Vietnam niet werd behouden voor de vrije wereld, de omliggende landen één voor één zouden bezwijken voor de totalitaire verleiding van het communisme – de zogenoemde dominotheorie – was te abstract om private John Lewis uit Omaha te inspireren, terwijl hij in de oude keizersstad Hue voor zijn hachje vocht. Ondanks de overwinning van het communistische Noorden is die dominotheorie trouwens nooit uitgekomen.

Op 30 april 1973 was het voorbij met de interventie. Na tien jaar oorlog was de eerste nederlaag van de Verenigde Staten in de twintigste eeuw een feit. Een feit zo bitter als de gal die Christus aan het kruis kreeg aangereikt.

De meeste Nederlanders zullen de beelden kennen van de Amerikaanse soldaten die op 29 april 1975 vanaf het dak van hun ambassade in Saigon per helikopter het hazenpad kiezen, terwijl honderden Vietnamese handen zich aan die toestellen vastklemmen in de hoop nog een lift uit de hel te krijgen. Het spel was definitief uit. De corrupte Zuid-Vietnamese strijdkrachten bezweken onder de druk van het Noorden.

Mekong

Het lijkt allemaal zoveel langer dan veertig jaar geleden. Mark Rutte werd op het hoogtepunt van de Vietnamoorlog in 1967 geboren, terwijl Doutzen Kroes pas tien jaar na afloop van het conflict, in 1985, het levenslicht zag.

Het is een wijdverbreid geloofsartikel in Amerika dat het verlies van Vietnam een wond is die het zichzelf heeft toegebracht. Of anders gezegd, de half miljoen Amerikaanse militairen die er onder president Lyndon B. Johnson naartoe gingen, hadden het werk wel geklaard als zij niet voortdurend door de politiek en de protestbeweging thuis in de wielen waren gereden.

Neem de huidige minister van Buitenlandse Zaken John Kerry, die zich als schipper in een bootje van de marine op de rivier de Mekong onderscheidde, maar zich na zijn terugkeer samen met ‘Hanoi Jane’ Fonda tegen het beleid van de regering keerde.

Heel begrijpelijk was het dat na Vietnam de animo in Washington, nog bezig met het stelpen van de wonden, een stuk minder was geworden om Amerikaanse strijdkrachten opnieuw de weg van het kwaad op te sturen.

De defensiebegroting slonk aanzienlijk en de weinig robuuste president Jimmy Carter gaf de Sovjets alle ruimte om in Afrika fikse winst te boeken. De huiver om op grote schaal militair te interveniëren, wordt sindsdien ­het Vietnam-syndroom genoemd.

De claim van president Ronald Reagan dat hij afrekende met dit syndroom, baseerde hij op zijn inval op het Caribische eilandje Grenada. Maar dat is zo’n beetje alsof generaal Dwight Eisenhower, de latere president, zou hebben beweerd dat hij de Tweede Wereldoorlog een beslissende wending had gegeven door een week eerder dan het plan was Cadier en Keer te veroveren.

Nee, dat het Vietnam-syndroom Reagan nog wel degelijk parten speelde, bleek uit zijn houding in Libanon. Daar trok hij in februari 1984 alle Amerikaanse mariniers terug, een week nadat hij had aangekondigd dat het overleven van Libanon afhing van de geloofwaardigheid van de Amerikaanse militaire presentie daar.

Spiegelbeeld

De ommekeer kwam pas in de Eerste Golfoorlog (1990-1991), bedoeld om de Iraakse president Saddam Hussein het door hem onder de voet gelopen Kuweit weer te ontfutselen. Volgens generaal Colin Powell, toen voorzitter van de chefs van staven en als militair zelf tweemaal in Vietnam, was de les van Indochina dat Amerika een nieuw conflict alleen mocht aangaan met een massale inzet van middelen en de wil om te winnen.

Welnu, dat lukte bij de bevrijding van Kuweit wonderwel. Zelfs zo dat president George Herbert Walker Bush in 1991 kon uitroepen: ‘Bij God, we hebben dat Vietnam-syndroom van ons afgemept.’ Alan Brinkley, hoogleraar geschiedenis aan Columbia University, waarschuw­de daarop voor een Kuweit-syndroom: voor overmoedig gedrag in de toekomst, nu het in Kuweit zo goed was gegaan. Het spiegelbeeld van het Vietnam-syndroom dus.

De gruwelijke ervaringen in Vietnam speelden geen grote rol meer voor George W. Bush bij zijn besluit om in 2003 opnieuw tegen Saddam Hussein ten strijde te trekken. Bush zelf had zich onder het dienen in de Mekongdelta uitgewurmd en had in zijn leven nog geen bamboebosje gezien.

Gepensioneerde hoge militairen met gevechtservaring in Vietnam hadden juist ernstige bezwaren tegen een nieuwe Amerikaanse interventie in den vreemde.

Nachtmerrie

Chuck Hagel, toen Senator, later minister van Defensie onder Obama en iemand die krom stond van de decoraties uit zijn tijd in Vietnam, zei het zo: ‘Velen van hen die ons land halsoverkop in de oorlog willen storten en denken dat het een vluggertje kan zijn, hebben geen idee wat oorlog is. Zij benaderen de zaak vanuit een intellectueel perspectief, maar weten niet wat het betekent om, in een mangat in de jungle gezeten, te zien hoe de hoofden van je maten tot moes worden geschoten.’

Maar voor de regering van George W. Bush wettigde de nachtmerrie van 9/11 elke reactie, schreef Michael Hirsh in Newsweek. Amerika had niet langer een keuze. Het Vietnam-syndroom voor altijd achterlaten was nodig om de oorlog tegen terreur te winnen.

De haviken geloofden dat het absoluut ­nodig was om het beeld van een slap Amerika voorgoed uit te wissen, een Amerika dat zich terugtrok zo gauw er doden vielen, een beeld dat bestond sinds de oorlog in Vietnam.

Elsevier nummer 35, 29 augustus 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.