buitenland

‘Beantwoording schuldvraag vlucht MH17 wordt erg lastig’

Door Servaas van der Laan - 04 augustus 2014

Het wordt ‘zeer lastig’ om uiteindelijk te kunnen bepalen wie er schuldig en mede-schuldig zijn aan het verongelukken van vlucht MH17. Gezien de ervaringen met de Lockerbie-ramp zijn de vooruitzichten in deze zaak niet best.

Dat heeft internationaal strafrechtadvocaat Geert-Jan Knoops gezegd bij Knevel & Van den Brink.

Moeilijk

‘Kan de Russische president Vladimir Poetin verantwoordelijk worden gehouden voor het neerhalen van vlucht MH17?’ was de zeer suggestieve vraag van de presentatoren van het programma.

‘Dat wordt zeer moeilijk,’ antwoordde Knoops wijselijk. ‘Er is een groot verschil tussen de beelden die we zien op tv en op internet enerzijds en het keiharde bewijs in de rechtszaal anderzijds,’ zei Knoops.

Lockerbie

Om aan te geven hoe lastig het is om bij dit soort zaken de schuldvraag te beantwoorden, gaf Knoops het voorbeeld van vlucht 103 van de Amerikaanse luchtvaartmaatschappij PanAm die op 21 december 1988 boven het Schotse plaatsje Lockerbie explodeerde.

‘Het heeft elf jaar geduurd voordat er uiteindelijk een proces kwam… en nog steeds is die schuldvraag boven de markt blijven hangen.’ Knoops wees erop dat destijds onderzoekers binnen een week ter plaatse waren.

1-0 achter

Omdat het ditmaal weken duurde voordat onderzoekers toegang kregen tot de crashzone van vlucht MH17 staat het Nederlandse Openbaar Ministerie volgens Knoops ‘met 1-0 achter’.

Alleen kroongetuigen die aangeven dat ‘meneer A de trekker overhaalde in opdracht van meneer B’ zouden het proces rond de schuldvraag kunnen versnellen. Ook Amerikaanse satellieten hoeven niet per definitie het belastende bewijs in deze zaak te leveren. ‘Met een gezicht heb je nog geen naam. En bovendien heb je daarmee nog niet de opdrachtgever van de daad.’

Meerdere onderzoeken

Er lopen intussen verschillende onderzoeken naar de toedracht van de crash van vlucht MH17. Hoewel de VN-Veiligheidsraad duidelijk heeft gevraagd om een dergelijk onderzoek, stond in de resolutie niet vermeld wie dat onderzoek moest uitvoeren.

Daarom doen, naast het Nederlandse Openbaar Ministerie, ook onder meer Australië en Interpol onderzoek naar de zaak. Strafrechtspecialisten vrezen dat, door gebrek aan coördinatie tussen de verschillende onderzoeken, essentieel bewijsmateriaal verloren kan gaan.

Hoewel er in propagandaoorlogen veel wordt gespeculeerd en naar partijen wordt gewezen, is er nog altijd geen belastend bewijs getoond dat een strafrechtelijk onderzoek in de richting van één partij kan rechtvaardigen.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.