Karl Lagerfeld (1933 - 2019)

‘Ik ben een machine die gestaag moet produceren, ik kan niet stilstaan’

Door Redactie Elsevier - 19 februari 2019

Elsevier Weekblad sprak in 2004 met modeontwerper, kunsthandelaar en fotograaf Karl Lagerfeld. Lagerfeld overleed op 19 februari 2019. Hij werd 85 jaar.

Karl Lagerfeld

1933 – Geboren in Hamburg als zoon van een welgestelde ondernemer

1954 – Bezocht de middelbare school in Parijs en won daar een prijs met een ontwerp van een wollen mantel

1963 – Werd ontwerper voor Chloé

1986 – Deed de reclamefotografie voor zijn collecties, maakte snel naam als fotograaf en bracht eigen fotoboeken uit

1983 – Eerste haute-couturecollectie voor Chanel

2005 – Verkoopr merknaam Karl Lagerfeld aan Tommy Hilfiger

2019 – Overleden

Neemt u weleens vakantie?

‘Nee. Discipline is voor mij 365 dagen per jaar van belang. Ik geloof niet in ontspanning, ik vind werken veel gezonder en normaler. Mensen denken dat een vakantie van veertien dagen genoeg is om de accu weer op te laden. Dat is onzin, want na acht dagen thuis voelen ze zich weer net zoals daarvoor.’

Maar voelt u nooit de drang om u eens te laten gaan?

‘Natuurlijk ben ik ook weleens niet met mijn dagelijkse werk bezig. Dan schrijf ik brieven en faxen, of ik werk aan een voorwoord van een van de boeken die ik uitgeef. Ik fotografeer en ik teken. Maar me laten gaan, dat doe ik nooit. Ik ben nooit ongewassen of ongeschoren. Daarvoor heb ik de leeftijd niet meer.’

Wat heeft dat met leeftijd te maken?

‘We moeten af van het idee dat verzorging en hygiëne alleen nodig zijn voor het uiterlijk. Ze zijn als ritueel ook belangrijk voor het innerlijk. Wat ik bedoel, is dat een mens wel rust moet zoeken, maar dat moet niet iets dwangmatigs krijgen: dat je dan ongeschoren en ongewassen moet zijn. Het omgekeerde is eerder waar. Een moment van rust en inkeer kun je juist gebruiken om jezelf weer in de hand te krijgen, omdat je daar anders niet aan toe komt.’

Was u altijd zo streng voor uzelf?

‘Ik was vroeger wat inconsequenter, maar dat past toch niet bij mij. Ik heb nu eenmaal een Pruisische ader in me. Zo’n drie, vier jaar geleden had ik schoon genoeg van mezelf. Ik kreeg er gewoon de zenuwen van. Het stoorde me dat ik was aangekomen, hoe ik me kleedde, bepaalde mensen gingen me irriteren, mijn omgeving. Ik voelde me als een slang die dringend aan een nieuwe huid toe is.’

Voelt u zich beter in die nieuwe huid?

‘Ik vergelijk nooit, dus dat kan ik niet beoordelen. Never compare, never compete. Maar ik pak nu alles anders aan. Het leven is anders, de omstandigheden zijn anders, de mensen zijn anders. Het is als na een grote schoonmaak. Ik heb me ook van vrienden ontdaan die mijn nieuwe ritme niet konden volgen.’

Zijn er nog vrienden overgebleven?

‘Ik zie nauwelijks mensen van mijn eigen generatie. Die zijn me te gesetteld, te burgerlijk en te saai, omdat ze denken dat ze het gemaakt hebben. Ze klampen zich vast aan aardse zaken. Ik hoef trouwens ook niet dag en nacht mensen om me heen te hebben. Ik kan het eindelijk goed met mezelf vinden.’

Was u als kind al zo vijandig tegenover mensen?

‘In wezen ben ik niet veel veranderd. Ik ben nog net zoals toen ik een kind was. Ik ben een eenling, erg op mezelf. Ik doe altijd waar ik zin in heb. Mijn kindermeisje zei vroeger tegen me “Van jou komt niks terecht. Je leest en tekent alleen maar.”’

Vindt u uzelf creatief?

‘Ja, en niet alleen tussen aanhalingstekens. Want dat is pretentieus. Ik ben een machine, ik moet gestaag produceren.’

Een machine moet ook geolied worden…

‘Dat doe ik met Pepsi-Cola, litersgewijs. En met inspiratie. Ik heb mijn ogen altijd open, ik moet weten wat er in de wereld gebeurt. Ik kan niet stilstaan.’

Bent u weleens bang dat u geen nieuwe ideeën zult hebben?

‘Dat kan mij niet overkomen. Een black-out heb ik nog nooit gehad. Met ideeën is het net als met eten: de lust komt tijdens het eten, ideeën komen tijdens het werken. Je moet er alleen voor gaan zitten en beginnen. Er zijn ook mensen die op het strand gaan liggen wachten tot de inspiratie komt. Maar die komt niet snel op het strand. Ik geloof dat je het best kunt werken met een muur tegenover je.’

Een witte muur?

‘Als je een uitzicht hebt, zelfs als het heel mooi is, word je door dat uitzicht beheerst. Een middelmatig uitzicht is nog erger, daar heb je helemaal niks aan. Bij mij thuis hangt er nauwelijks iets aan de muur, alleen maar spiegels. Niet uit narcisme. Het zijn vooral oude spiegels waarin je jezelf nauwelijks kunt zien, maar ze maken de ruimte oneindig. De muren verdwijnen.’

Wat vindt u van de jeugd?

‘Ik vind het prettig dat jongeren niet meer zo veel vooroordelen hebben. Ze zijn opener dan vroeger. En ik vind het leuk dat ze niet alleen maar aan hun familie, kinderen en carrière denken, ze lijken ook wat vrijer. Maar jonge mensen zijn tegenwoordig ook weleens iets te aangepast en te gewoontjes.’

Wordt u weemoedig als u jongeren ziet?

‘Helemaal niet. Ik weet hoe dom een twintigjarige is. Maar natuurlijk zou het leuk zijn als je met veertig of zestig jaar nog de jeugdigheid had van een twintigjarige.’

Toch een beetje jaloers?

‘Ik heb nergens zo’n hekel aan als aan mensen die op mijn leeftijd nog sexy willen doen. Zelfs veertigers die zich optutten als een pauw vind ik verschrikkelijk.’

Moet men op uw leeftijd nog wel ijdel zijn?

‘IJdelheid valt bij mij onder het etiket “drang tot zelfbehoud”. Dat vind ik een goede en gezonde benadering.’

Vindt u uzelf mooi?

‘Mooi? Dat weet ik niet. Dat is subjectief. Maar ik vind dat ik op niemand anders lijk. Dat is beter geformuleerd.’

Toch begon u aan een dieet en verloor meer dan 40 kilo…

‘Jazeker. En ik had nooit gedacht dat ik het figuur zou terugkrijgen dat ik had toen ik achttien was. Dat het gelukt is, komt doordat ik nooit alcohol heb gedronken, nooit heb gerookt of drugs gebruikt. Ik heb overigens niet alleen mijn huid vernieuwd, maar ook mijn tijdsbesef aangepast.’

In hoeverre?

‘Eigenlijk wil ik geen vaste afspraken meer. Ik houd alles tot op het laatste moment open. Als ik alleen ben, eet ik rond vijf uur ’s middags, dan hoef ik daarna niet meer op de klok te kijken, dat vind ik heerlijk. Al is dat wel onhandig voor mijn huispersoneel, medewerkers en anderen die iets van mij willen.’

Hoe is uw houding ten opzichte van medewerkers?

‘Ik voel me verantwoordelijk. Een soort paternalisme. Mijn medewerkers worden goed betaald, maar ze moeten ook mijn onmogelijke gewoonten accepteren: op dit moment ben ik mijn huis aan het verbouwen en daar ben ik op vreselijke tijdstippen mee bezig. Ik verander vaak op het allerlaatste moment van gedachten en ik houd me niet aan de tijd.’

Laat u ze desnoods midden in de nacht uit bed komen?

‘Nee, in het algemeen niet. Mensen die bij mij werken, worden geen vrienden. Ze moeten hun eigen leven leiden. Ik wil niet dat er een te dichtbij komt. Er is een muur, van glas misschien, maar hij is er wel.’

Komen mensen ook bij u met persoonlijke problemen?

‘Waarom vraagt u dat? Ben ik zo koud en onbenaderbaar?’

Nee, maar het zou kunnen dat u zich uitsluitend voor uzelf interesseert.

‘Ik ben niet iemand voor ontboezemingen. Ik geloof ook niet in het geven van raad. Mensen kunnen zichzelf vaak het beste antwoorden, als ze tenminste echt eerlijk durven te zijn.’

Durft iemand u weleens te bekritiseren?

‘Ja, er zijn er twee, drie die dat doen. Maar het liefst beoordeel ik mezelf. U ziet mij hier zo alleen zitten, maar er is nog iemand die heel goed let op wat ik doe en die om mij kan lachen. Die iemand ben ik ook.’

Kunt u wel tegen kritiek van anderen?

‘Het hangt ervan af wie mij bekritiseert, en met welke kennis en beoordelingsvermogen. En er moet geen sprake zijn van jaloezie. Ik heb één grote fout. Amen zeggen lukt mij nog wel, maar ik kan niet snel vergeven en vergeten. Ik ben niet katholiek opgevoed. Zonden vergeven en de andere wang toekeren, daar blink ik niet in uit.’

U bent haatdragend…

‘Absoluut en zo vaak ik maar wil. Ik maak er ook een sport van. Ik betaal alles in klinkende munt terug.’

Klinkt gemeen.

‘Wat nou gemeen. Als iemand gemeen doet tegen mij, dan doe ik gemeen terug. Dat is gerechtigheid. Als anderen fouten maken, waarom zou ik dan perfect zijn? Dat is nou typisch de misvorming die je overhoudt aan een christelijke opvoeding.’

U bent de maat van alle dingen?

‘Misschien, maar niet omdat ik bezeten ben van mezelf. Ik ken alleen geen ander onderwerp. Ik interesseer me uitsluitend voor mijn eigen geval.’

Hoe reageert u als iemand verliefd op u wordt?

‘Wat? Hoe alstublieft? Dan zeg ik: ik haat gerontofilie.’

En als hij tegen de vijftig is?

‘Dat zijn er minder dan u zou denken. Maar ik wil het ook niet.’

U bent niet meer te verleiden?

‘Nee, in mijn beroep moet je sowieso oppassen. Je bevindt je snel in een belachelijke situatie. Ik let erop dat ik nooit alleen ben in een ruimte met iemand die ik niet ken. Die kan later van alles beweren wat ik niet kan weerleggen.’

Hebt u nooit willen trouwen?

‘Nee, wat een gruwelijk idee. Nooit.’

Waarom niet?

‘Omdat ik dat griezelig vind. Als kind vond ik dat al. Het is een vorm van vrijheidsberoving. Dat is iets voor mensen die niet alleen kunnen zijn. Die zich altijd aan een ander moeten vastklampen. Verschrikkelijk.’

Kinderen waren voor u nooit een issue?

‘Iemand heeft eens gezegd: het beste moment in het leven van een man is als hij merkt dat zijn zoon middelmatig is. Kinderen vind ik prima, voor anderen. Al hebben mensen tegenwoordig de neiging zich te veel om de kinderen te bekommeren. Dat vind ik ongezond, want dan worden de ouders net zo dom als hun kinderen. Als ik kinderen tegenkom, zeg ik wat mijn moeder altijd zei: “Probeer eens goed te praten, jij bent misschien wel zes jaar, maar ik niet.” Dat vind ik een gezonde benadering. Als kind wilde ik al snel volwassen worden. Ik vond het vernederend om kind te zijn.’

Klopt het dat u jarenlang een vriend had die in 1989 stierf?

‘Dat klopt. Ik spreek daar nooit over. Hij was meer als een zoon voor mij. Hij was dertien jaar jonger. Toen hij stierf, was ik eind veertig. In 1983 kreeg hij als een van de eersten aids. Niemand wist hoe gevaarlijk die ziekte was. Toen mijn generatie dat doorkreeg, was het voor hem te laat.’

Hij was als familie voor u?

‘Ja, maar dan zonder de nadelen. Er waren geen materiële of familiaire kwesties, er was alleen maar affiniteit. Meer dan twintig jaar lang. We hebben maar zelden onder één dak geleefd. Alleen soms in Monte Carlo of in mijn buitenhuis. In Parijs had hij zijn eigen huis. Mijn wereld was niet de zijne. Ik was voor zijn kennissen en vrienden niet aantrekkelijk, omdat ik veel werkte. Zij deden niets. Hun leven begon pas ’s avonds, als ze konden feesten. Ik ging nooit mee. Diep in mijn hart vond ik het wel leuk dat zijn leven precies het spiegelbeeld was van mijn leven.’

Was u bang dat u ook besmet zou raken?

‘Daar heb ik nooit bij stilgestaan.’

Hoelang duurde het voor u het verlies kon verwerken?

‘Ik vind verwerken in dit verband een verschrikkelijk woord. Je moet niet snel woorden gebruiken die je alleen in slechte romans tegenkomt. Het gaat om een feit waarmee je tot het eind van je leven moet omgaan. Dat is mijn lot.’

Bezoekt u zijn graf?

‘Ja, dat is een kleine kapel op het landgoed van zijn moeder. Met haar kan ik goed opschieten. Ik ga er niet vaak heen, maar in gedachten ben ik er veel. Geestelijk bij iemand zijn, vind ik toch het belangrijkste.’

Bent u daarom nooit meer aan een vaste relatie begonnen?

‘Ik vind dat je niet moet proberen om iets te herhalen. Als ik ooit weer een dergelijke relatie was aangegaan, had ik van mijn verleden iets tweederangs gemaakt. Je moet weten wanneer iets eenmalig is en zal blijven. En om iemand alleen als gezelschap te vervangen, dat vind ik onwaardig.’

‘De dood is voor mij niet dramatisch. Er zijn miljarden mensen voor ons gestorven en als je liever pijnloos sterft, kun je dat tegenwoordig organiseren.’

Hoe denkt u over uw eigen dood?

‘De dood is voor mij niet dramatisch. Er zijn miljarden mensen voor ons gestorven en als je liever pijnloos sterft, kun je dat tegenwoordig organiseren.’

Zult u het tijdstip van uw dood zelf kiezen?

‘Natuurlijk. Ik wil nooit een klinisch geval worden. Mijn vader stierf, negentig jaar oud, terwijl hij de krant las. Mijn moeder liet, kort voordat ze stierf, nog de kapper langskomen. Als niemand mij in verval ziet, is dat prima.’

U ontwerpt meer dan veertig jaar mode. Chloé, Chanel, Fendi, Lagerfeld. Hoeveel is routine en waar begint de schepping?

‘Bij schepping moet ik altijd aan het plafond van de Sixtijnse kapel denken, waar God met één vinger Adam schept. Een modeschepper? Dat weet ik niet, ik denk wel dat ik anderen aanzet tot veranderingen. Dit beroep is voor mij als ademen. Het hoort bij mijn dagelijks leven. Daar komt niets intellectueels bij kijken. We moeten ook niet alles zo ingewikkeld maken. De zin van het leven is het leven, de zin van de mode is de mode.’

Kunt u met mode politiek bedrijven, iets beïnvloeden?

‘Ja, maar dat mag niet de opzet zijn. Het zou aanmatigend zijn om te doen alsof je een missie hebt. Dat is grootheidswaan.’

Waarom keren modetrends steeds sneller terug?

‘Dat is begonnen met Andy Warhol die alles kopieerde. Bovendien, alles is al een paar keer gedaan. Wat kun je nu aan een basispak veranderen? En de bikini vind je al op Siciliaanse mozaïeken van drieduizend jaar oud.’

Maar de opvatting over het menselijk lichaam verandert wel.

‘… en daarmee de uitdrukking van het lichaam. Hetzelfde kledingstuk maar dan door een andere generatie gedragen, pakt heel anders uit, omdat de context anders is. Maar uiteindelijk hebben we allemaal twee armen en twee benen.’

Ook in uw fotoboeken omringt u zich met esthetiek en schoonheid. Nooit viezigheid?

‘Viezigheid? Mijn hele leven bestaat uit het vermijden daarvan.’

Waarom wendt u zich zo van de realiteit af? In Parijs fotografeert u nooit het ware leven.

‘Als ik dat zou doen, zou dat opportunistisch zijn. Iedereen moet een visie hebben, de mijne is een esthetische. Ik neig ertoe het leven te idealiseren. Ik probeer alles onder één geïdealiseerde noemer te brengen.’

Houdt u van dresscodes?

‘Ik vind die regeltjes die tegenwoordig eigenlijk nergens op slaan, wel amusant. Ik speel graag met dresscodes.’

Gelooft u dat, nu mensen zich minder aan de etiquette houden, de goede smaak verloren gaat?

‘Ik zou goede smaak alleen tussen aanhalingstekens willen gebruiken, want de goede smaak van vroeger is anders dan die van nu.’

Is het belangrijk om je aan de goede smaak te houden?

‘Dat heeft bijna iets gevaarlijks. Als je binnen de regels van de goede smaak blijft, wordt het modebeeld al snel steriel. Dan moet er een beetje kitsch, iets excentrieks bij om het acceptabel te maken.’

Waar moeten we dan aan denken?

‘Vroeger had je de morning coat, het jacket, dat was behoorlijk excentriek. Tegenwoordig heb je alleen maar saaie klassieke pakken en slecht gesneden hemden met weerzinwekkende kragen en banale dassen. Vroeger had je schoenen met slobkousen – dat had een zeker raffinement. Nu is een man alleen maar bang dat hij ervan beticht wordt iets fouts te dragen. Dat vind ik belachelijk.’

Wie bepaalt tegenwoordig de stijl?

‘Onlangs zat ik in een Frans televisieprogramma. De andere gasten zagen er opzettelijk slonzig uit. Ze vonden zichzelf intellectuelen, linkse Franse denkers. Een van de vrouwen zei tegen mij dat ik te gekleed was. Ik antwoordde: “U bent een fascist.” Dat is toch zo? Waarom zou ik een zompig T-shirt en een slobberend jasje aantrekken, alleen maar omdat zij denkt dat dat politiek correct is. Zulke kleren horen in een sportclub thuis. Waarom zou ik niet mijn zwarte jasje met zwarte das en gesteven hemd bij een spijkerbroek mogen dragen?’

Zal die opvatting deel uitmaken van uw erfenis?

‘Ja, ik ben nu eenmaal een uniek exemplaar. Overigens heb ik een hekel aan het woord erfenis. Wat ik nalaat, mogen een paar mensen onder elkaar verdelen.’

Wie dan?

‘Alle mensen bijvoorbeeld die voor mij hebben gewerkt. Zij verdienen dat. Veel van hen heb ik al meer dan twintig jaar om mij heen. Ik heb al een testament opgesteld, maar dat is heel vaag. Misschien moet ik er meer aandacht aan besteden. Het kan me nu nog niets schelen. Alles begint bij mij en houdt bij mij op.’

Mark Kayser

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.