cultuur

Wat te doen als je identiteit wordt gestolen?

Door Lucas Gasthuis - 17 maart 2015

Het nieuwste boek van Joshua Ferris biedt serieus vermaak in een wereld vol ‘ik-apparaten’. Plus andere uit- en thuistips.

Wat te doen als in een wereld vol ‘ik-apparaten’ je identiteit wordt gestolen?
Een tandarts als romanheld, dat zie je niet vaak. Nou ja, in Het stenen bruidsbed (1959) van Harry Mulisch was het hoofdpersonage een tandarts, dat klopt, op weg naar een tandartsencongres ook nog. Maar daar was het vooral een kapstok om het verhaal te vertellen over een man met een onzuiver verleden.

Hoe anders van aard is Weer opstaan op een christelijk tijdstip van de New Yorkse schrijver ­Joshua Ferris, dat 31 maart verschijnt (vertaling Dirk-Jan Arensman).

Het verhaal speelt zich af binnen de muren van een tandartsenpraktijk aan Park Avenue. Deze wordt gerund door Paul O’Rourke. Een gewone veertiger, die hevig leunt op zijn (vrouwelijke) medewerkers en fan is van honkbalclub Boston Red Sox.

Pauls enige afwijking is dat hij erg veel over het leven nadenkt. Al bezorgt hem dit geen directe existentiële pijn, het maakt hem wel licht chagrijnig en wrokkig.

De roman begint met een reeks hilarische scènes over het vreemde gedrag van patiënten in de tandartsstoel. Dan kantelt het. Er verschijnt een website over de praktijk, iemand gaat twitteren onder de naam Paul O’Rourke, hij krijgt een nepprofiel op Facebook.

Dit stelen van zijn identiteit is al erg op zich – de verontruste tandarts komt er al snel achter dat internet niet zoiets heeft als een ‘klantenservice’ en het lukt hem niet de website te laten verwijderen. Vreselijk wordt het wanneer de vage reli­gieuze tweets die de nep-Paul plaatst, antisemitisch worden.

Paul wordt door verschillende vrienden en kennissen ter verantwoording geroepen. Eigenlijk zit iedereen met een ‘ik-apparaat’ – smartphone of tablet – binnen handbereik hem op de nek. Ontkennen helpt niet, het maakt het alleen maar erger.

Weer opstaan op een christelijk tijdstip is een absurdistisch verhaal in fraaie stijl, dat gaat over spirituele stuurloosheid. Ferris kraakt stevige noten over ons huidige egocentrische tijdsgewricht. De Amerikaan is bepaald niet de enige hedendaagse schrijver die onze digitale afhankelijkheid aan de orde stelt; ook in romans van onder anderen Dave Eggers en David Mitchell is het geliefde thematiek.

Weer opstaan op een christelijk tijdstip haalde de shortlist van de Man Booker Prize en werd door recensenten al binnengehaald als Catch-22, maar dan de tandartsversie.

Het boek is goed voor serieus vermaak, en daagt de lezer uit tot nadenken over in hoeverre hij slaaf is van zijn ‘ik-apparaat’. En, met dank aan alle beeldende beschrijvingen van de gevolgen van gebrekkige mondhygiëne, zal de lezer erna vast weer vaker flossen. (Irene Start)

 

Biografie van een onverschrokken journalist
En wat voor vrouw. Oriana Fallaci (1929-2006) was bij leven zowat de beroemdste, meest onverschrokken journalist ter wereld. De groten der aarde beefden als zij met hen kwam praten – Golda Meir, Henry Kissinger, ayatollah Khomeini, bij wie ze haar hoofddoek afrukte en op de grond smeet.

Fallaci bereidde zich extreem goed voor en kon snoeihard zijn. In haar armoedige jeugd in Florence leerde ze moed en hardheid waarderen. Een meisje huilt niet, zei haar vader. Ze kwam altijd uit voor haar mening, hoe politiek incorrect ook.

In 2001 zorgde ze met een vlammend betoog tegen de wreedheden van de politieke islam (‘islamofascisme’) in De woede en de trots nog voor een flinke rel.

Fallaci was dan wel beroemd, ze was ook ongelukkig in de liefde, tot haar verdriet kinderloos, eenzaam en op het eind licht paranoïde. De Stefano schreef een meeslepend, soms geromantiseerd boek over een bijzondere, lastige, unieke vrouw. (Liesbeth Wytzes)

 

Een petite histoire als requiem voor het vergeten Italiaanse platteland.
Het lijkt een aantrekkelijke keuze, en zo romantisch ook. Trek je als teleurgestelde intellectueel terug op het platteland van Umbrië – dat andere, wat minder bedeelde Toscane. Bijen houden, honing maken, schapen fokken, moestuin erbij: wie doet je wat? Kies zo’n vervallen landhuis als pleisterplaats voor je gezin, met luitjes die komen aanwaaien.

Een soort commune, zo stelt Wolfgang (Sam Louwyck) het zich voor. Aan tegenslag geen gebrek, daar in die Italiaanse wildernis. Geregeld ontsteekt hij dan in razernij en bedient zich van krachttermen uit zijn moedertaal, het Duits.

We bezien zijn Ark van Noach-achtige ambities door de ogen van zijn oudste dochter Gelsomina (Maria Alexandra Lungu), een schrander 14-jarig meisje. Ze kan het goed vinden met de bijen, houdt van de natuur, maar heimelijk wil ze de wijde wereld in.

Entertainment lijkt haar wel wat. Vader Wolfgang dunkt dat verraad aan een eeuwenoude levensstijl, die toch al een mooie toekomst achter zich heeft. Hooguit wordt de streek nog platgelopen door toeristen die toevallig ook eens naar een Etrusken-expo zijn geweest, foetert hij.

Over zijn verdriet gaat dit requiem, verpakt als petite histoire. Regisseur Alice Rohrwacher putte ervoor uit haar jeugd. De boot is aan als een derderangs realityshow het leven in Umbrië komt bezingen. Diva Milly Catena (Monica Bellucci) heeft voor het zuiverste agricultuurbedrijf een flinke geldprijs meegebracht, de kijker mag beslissen.

Wolfgang is tegen, Gelsomina voor, het generatieconflict benoemd. (Rob van Scheers)

 

Jonkies krijgen kans bij Introdans.
Introdans gaf twee dansers de kans een choreografie te maken, en dat pakte goed uit. Laurent Drousie maakte l’un différent, een boeiend stuk op Bach met live-cellist, waarin het ensemble tot uitersten wordt gejaagd.

­Pockets to Unfold van Jorge ­Pérez Martínez is een warm­bloedige verrassing. De dansers isoleren hun ledematen, knikken en draaien met heup en schouders. Als groep lijken ze te bewegen als één groot lichaam.
De première die deze experimenten stut, is Canto Ostinato van de onvermoeibare Amerikaanse Lucinda Childs (74). Een scherp lijnenspel, strak uitgevoerd. De dood en het meisje van Ed Wubbe doet 25 jaar na creatie wat gedateerd aan. Gelukkig is daar de begeleiding door het Van Dingstee Kwartet, dat Schubert prachtig vertolkt. (Irene Start)

 

Lavinia Meijer schildert met noten.
De harp is hip. Zeker in Nederland, met twee grote ambassadeurs en vernieuwers, die het instrument een ander en moderner aanzien gaven. Remy van Kesteren begon als twintigjarige zijn eigen Dutch Harp Festival, onder het motto: ‘Echte mannen spelen harp.’ Lavinia Meijer ­bestormt wereldwijd de hitlijsten.

Net als eerder – onder andere met muziek van Philip Glass en Ludovico Einaudi – maakt ­Meijer op haar nieuwe ­album Voyage bewerkingen die klinken alsof de componist ze oorspronkelijk voor de harp heeft geschreven. Als luisteraar heb je het gevoel dat Meijer je mee op reis neemt.
Die indruk zit ook sterk in de keuze van het repertoire: bij Franse componisten lijkt het landschap nooit ver weg. ­Debussy, Ravel, Satie of Tiersen, ze schilderen met noten. Meijer heeft een goed gevoel voor het meditatieve karakter van de harp, dat prima in de tijdgeest blijkt te passen. (Joost Galema)

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.