cultuur

Aan een boom in het Vondelpark

Door Marijke Hilhorst - 09 april 2015

Er dreigde gevaar, maar ik had geen flauw idee van welke kant het kwam.

De hele nacht was onrustig geweest. Ik was zelfs wakker geworden van de storm die continu om het huis raasde, de rukwinden die er zo nu en dan tussendoor joegen en de ramen in hun sponningen deden rammelen.

’s Morgens was het rustiger, maar op weg naar het park werd ik zo nu en dan toch nog staande gehouden door een windvlaag en moest ik wachten tot die in kracht afnam voor ik verder kon.

Overal tekenen van het te ruwe spel van de wind: op de trottoirs omgewaaide bakfietsen, brommers, plastic containers en een paar gebroken dakpannen, in het water van de Schinkel dreven volle vuilniszakken en een keur aan zwerftroep. Toch waren de hekken van het Vondelpark open, wat ik opvatte als een teken dat het er veilig genoeg werd geacht.

Gekandelaberd

Het verraste me niet dat her en der vers afgescheurde takken  en takjes lagen. De kronen van verschillende moerascypressen waren er najaar 2013 al uitgewaaid en staan sindsdien gemutileerd aan de rand van de vijver; dat was toen ik het park voor het eerst van mijn leven afgesloten aantrof en daarna is er na een controleronde preventief gekapt, getopt en gekandelaberd.

Er staan reuzen van honderd jaar oud in het park en niet elke boom is geschikt om zo oud te worden. Daar wordt goed op toegezien.

Benieuwd of de ooievaars zich staande hadden gehouden in hun hoge nest, wandelde ik die kant uit om vlakbij gekomen plotseling van schrik stokstijf te blijven staan.

Het was alsof er een kist met vuurwerk ontplofte. Nee, alsof  er een hels onweer losbarstte, maar in plaats van hoog in de lucht, begon het gedonder lager. Op de grond. Nee, ik wist niet wat het was. Wel dat het een onheilspellend geluid was.

Verwilderd

Een lichte paniek maakte zich van mij meester. Er dreigde gevaar, maar ik had geen flauw idee van welke kant het precies kwam en in welke gedaante. Er waren ook geen andere mensen in de buurt wier  blikken me op weg konden helpen.

Verwilderd keek ik om me heen terwijl ik, zonder dat ik me ervan bewust was daarover een besluit te hebben genomen, de hond optilde en met beide armen dicht tegen me aandrukte.

Op het moment dat ik wist waar het kabaal vandaan kwam, realiseerde ik me ook dat het te laat zou zijn geweest als de boom mijn kant op was gevallen.

Het lot was me gunstig gezind: het gevaarte donderde met veel geraas oostwaarts, over het water, in de richting van het eiland aan de overzijde waar nooit een mens komt en ruim links van de paal met het ooievaarsnest.

In zijn val nam de boom, die ongeveer een driekwart meter boven de grond was afgeknapt, aan deze en gene zijde van het water wat kleiner groengoed mee. Toen de gigantische kroon de aarde raakte, leek ze even weer iets op te veren, als een laatste stuiptrekking, om toen met nog wat zachter gekraak definitief  ter aarde te storten.

Luciferhoutje

Opeens begreep ik waarom ooggetuigen altijd zeiden dat een boom als een luciferhoutje afknapte. Dat was precies wat er was gebeurd. Uit de grond stak een gemeen gepunt stuk stam met een doorsnee van ruim 1 meter. In een hoek van 45 graden lag de rest van de gigant, toch gauw een meter of 30.

Wat me ook direct opviel, is dat een boom, eenmaal ter aarde gestort, zoveel groter lijkt dan wanneer hij nog gewoon tussen de andere bomen staat te staan. En dat het zo droef stemt, alsof het een van ons is geweest die de storm niet overleefde, een verwant.

Ik ken wel het omgekeerde uit overlijdensadvertenties waarin de mens – altijd een man trouwens –  nog al eens vergeleken wordt met een boom. ‘De reus is geveld,’ laten de nabestaanden dan weten.

Lawaai

De dichteres Vasalis moet eens dezelfde ervaring hebben opgedaan als ik, hoewel bij haar het lawaai ontbreekt. Zij schreef: ‘Er is een boom geveld met lange groene lokken. / Hij zuchtte ruisend als een kind / terwijl hij viel, nog vol van zomerwind./ Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.’

Aangrijpend vond ik dat er in de kroon van mijn boom met zijn juist uitbottende lichtgroene bladerdak, zelfs toen hij daar zo lag, nog een belofte schuilging van leven terwijl alle kansen daarop verkeken waren.

De top van de boom moet geen weet  hebben gehad van de ziekte die beneden in de stam zijn verwoestende werk deed, en moest er op deze hardhandige manier achter komen dat het nooit meer zomer zou worden.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.