cultuur

Biopic over Jimi Hendrix: niet slecht, maar je hoopt op meer

Door Rob van Scheers - 21 april 2015

Hoe gehakketak over copyrights een veelbelovende biopic (bijna) om zeep hielp.

Het is niet helemaal niks, maar je hoopte op meer. De biopic over Jimi Hendrix’ Londense jaren – 1966 en 1967 – kende nogal wat productionele tegenslag. Zoals tegenwoordig de mode is, wilden de erven Hendrix geld zien, veel geld: daarom geen authentieke licks van de man die met zijn Fender Stratocaster linkshandig de gierende gitaarsolo naar een hoger plan bracht.

Stand-in op de soundtrack is de veelgevraagde sessiemuzikant Waddy Wachtel. En hij doet dat naar behoren, maar van Jimi Hendrix was er natuurlijk maar één.

Hoewel de film het anders doet voorkomen, brak de Amerikaanse gitarist  juist tijdens die Londense jaren door: Hey Joe (uitgebracht op 16 december 1966), Purple Haze (17 maart 1967) en The Wind Cries Mary (5 mei 1967) gaven hem het aura waarop zijn roem vandaag nog rust.

Onderschat

Maar die tijdloze hits mochten dus niet in de film. Nu stuwt het verhaal in de richting van het popfestival van Monterey, Californië (16-18 juni 1967), als de arena waar Hendrix zich voor het eerst aan de wereld kenbaar maakt.

Zo telt het scenario meer kunstgrepen, alsof schrijver en regisseur John Ridley (eerder scenarist van 12 Years a Slave) onze parate popkennis onderschat.

Goed nieuws is dat André Benjamin een geloofwaardige Hendrix neerzet. Hij spreekt zacht, oogt bijna verlegen, maar op het podium neemt zijn betere ik het over.

Hendrix was een van de meest innoverende muzikanten uit de gouden dagen van de popmuziek. De tamelijk tamme film weet ons daarvan helaas niet te doordringen.

Elsevier nummer 17, 25 april 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.