cultuur

Pijbes over Gebouw van het Jaar: we zochten naar het wow-effect

Door Irene Start - 29 april 2015

Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes is juryvoorzitter van de BNA Gebouw van het Jaar-prijs, die op 21 mei zal worden uitgereikt. Hij zag veel moois, maar was vooral ook benieuwd naar wat de gebruikers van de ontwerpen vonden.

‘Zijn’ Rijksmuseum beleefde in 2013 een grand opening na een ingrijpende verbouwing en werd internationaal geprezen. Net zo goed om de architectonische oplossingen als om de collectie. Het museum werd genomineerd voor de Gebouw van het Jaar 2014, maar…won hem niet, de bibliotheek in Arnhem ging er met de prijs vandoor.

Het gedoe met de fietsonderdoorgang en de Amsterdamse gemeentebureaucratie, daar waren architecten Cruz y Ortiz niet helemaal uit gekomen, vond de jury. Sportief dus, dat Wim Pijbes (53) voorzitter wilde worden van de jury die op 21 mei het Gebouw van het Jaar 2015 zal kiezen.

ELSEVIER Wat voor een voorzitter bent u?

Wim Pijbes: Als je mij vraagt, dan weet je van tevoren dat ik me er stevig mee zal bemoeien, dat ik een mening zal hebben. Pittige discussies ga ik niet uit de weg, en die waren er ook, want het ging niet alleen om de beste architectuur, maar ook de betekenis van een gebouw voor de samenleving. Al was ons eindoordeel unaniem.

ELSEVIER Wat was de kwaliteit van de inzendingen?

Pijbes: Er zijn 120 ontwerpen ingestuurd. Wat de categorieën identiteit & icoonwaarde, stimulerende omgevingen en particuliere woonbeleving betreft, zat het wel goed; daarin zijn bijzondere gebouwen genomineerd; een woonhuis in Deventer, een zomerhuis in Texel, een school in Den Haag.

De derde categorie, met als thema sociale cohesie, was moeizamer. Er waren wel inzendingen, maar geen excellente gebouwen. Ze gingen meer richting een 7,5 dan naar een 8 of een 9. Het zijn keurige, goede gebouwen, maar ze misten het wow-effect.

ELSEVIER Hadden de negen genomineerden dat wow-effect wel?

Pijbes: Ja, zeker. We hebben eerst de inzendingen op papier doorgenomen, maar gebouwen gaan pas leven als je ze in het echt ziet. Ik vond het zomerhuis in Texel van Mels Crouwel van Benthem Crouwel Architecten bijzonder. Het ziet er eenvoudig uit, maar de vorm is gebaseerd op een oude negentiende eeuwse schapenboet, het gebouw sluit aan op de omgeving.

ELSEVIER Twee van de negen staan in Rotterdam. Toeval?

Pijbes: Dat is deels toevallig, deels niet: het Centraal Station en de Markthal in Rotterdam zijn twee extreme gebouwen die alleen maar in Rotterdam, waar ik zelf woon, kunnen staan. De stad heeft een actieve bouwtraditie en er is nog ruimte voor opvallende gebouwen.

Natuurlijk wordt in veel andere steden ook aan grote stations gebouwd, het bekendste voorbeeld is Amsterdam Centraal. Maar daar wordt ontworpen binnen wat er al is, en geen compleet nieuw gebouw neergezet. Moet je ook niet doen daar, overigens.

ELSEVIER Zonder het over de winnaar te hebben; welke gebouwen spraken u aan?

Pijbes: Ik vond de scholen wel bijzonder, bijvoorbeeld het Grotiusgebouw van de Radboud Universiteit Nijmegen, weer van Benthem Crouwel Architects. Studenten moeten geïnspireerd raken, dat gebeurt daar duidelijk.

Ik was ook onder de indruk van de Kaasmakerij die Bastiaan Jongerius Architecten ontwierp voor Cono. Een enorm bedrijfspand waarin kaas wordt gemaakt, dat in Westbeemster staat, dat is werelderfgoed waar je voorzichtig mee moet omspringen.

Iemand in de jury maakte de vergelijking met een Griekse tempel, de ordening en maatvoering zijn mooi, het is een streng en logisch gebouw, dat toch in het landschap past.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.