cultuur

Een parkje waar je niet naartoe gaat, maar toevallig op stuit

Door Marijke Hilhorst - 04 mei 2015

Op een prachtige lentedag belandden we rond het middaguur op de Sloterweg. Daar trok een openstaand hek mijn aandacht. Er was een naam in smeedijzeren letters in verwerkt: Siegerpark.

Hoewel doodmoe, kan ze zich soms met geen mogelijkheid overgeven aan de slaap, Roos van negen maanden. Dan ga ik met haar wandelen, want hobbelend in de wagen is het geen enkel punt.

Al voordat ik op de hoek van de straat ben, sluit ze haar oogjes en dan hoor ik haar drie kwartier, een uur niet meer. Wordt ze eenmaal weer wakker, dan is haar humeur opgeklaard en ligt ze vrolijk te brabbelen, te kirren, soms hardop te lachen of gewoon tevreden wat te pruttelen.

Natuurlijk daag ik haar zo nu en dan uit om eenvoudige betekenisvolle woorden na te zeggen zoals ‘papa’ en ‘mama’, maar ook – en waarom niet – ‘Einstein’ en ‘Helleborus niger‘, als ik de Einsteinlaan passeer of in een tuin een kerstroos zie bloeien.

Sinds een half jaar pas ik één dag in de week op haar en dat heeft me een paar ontdekkingen opgeleverd in de stad waar ik nu alweer zo lang woon. Achter een kinderwagen loop je namelijk anders dan normaal: we hoeven nergens heen, we hebben geen haast, de richting maakt niet uit, we wandelen om de wagen te doen bewegen, want dat is wat Roos het heerlijkst vindt.

En als zij het naar haar zin heeft, heb ik het ook naar mijn zin. Zo simpel is het.

Siegerpark

Op een prachtige lentedag belandden we rond het middaguur helemaal op de Sloterweg – waar je als vanzelf Lientje leerde Lotje lopen gaat opzeggen omdat het een lange rechte weg is met aan weerszijden weliswaar geen linden, maar toch hoge bomen. Daar trok een openstaand hek mijn aandacht. Er was een naam in smeedijzeren letters in verwerkt: Siegerpark.

Hoe dikwijls was ik hier niet langsgereden op de fiets, op weg naar het Bijenpark, de volkstuinen verderop of naar het dorp Sloten? Zeker twintig keer, en nooit eerder viel me de ingang van het park op.

Of liever parkje, groot is het niet en de locatie is vreemd. Het ligt min of meer in de schaduw van een paar moderne kantoorkolossen en in dit jaargetijde zie je zelfs door het rijtje bomen en struiken aan het eind van het smalle park de auto’s over de snelweg naar Den Haag rijden.

Proeftijn

Op een informatiebord lees ik dat in de jaren dertig van de twintigste eeuw het stuk grond is aangekocht door Wilhelm Sieger, directeur van de Amsterdamse Kininefabriek. Hij gaf Jan Bonsma opdracht een park te ontwerpen in Engelse landschapsstijl.
Oorspronkelijk ging het om een veel groter areaal.

Door de aanleg van de A4, die de oude Haagseweg moest vervangen, is in 1963 de helft van de oorspronkelijke 6 hectare verloren gegaan. In die tijd was het park overigens al ruim tien jaar in gebruik als kwekerij en proeftuin voor de Hortus Botanicus in Amsterdam.

Pas in 1996 is het in oude glorie hersteld en sindsdien wordt het door het stadsdeel op ecologische wijze beheerd – wat volgens mij vooral betekent dat ze de boel zo veel mogelijk met rust laten.

We zijn er helemaal alleen. De kronkelende paadjes, de watertjes, de voorjaarsbloemen, het prille groen, de kwetterende vogels: alles exclusief voor Roos en mij. Dat hoort, vind ik, ook bij het ontdekken. Dit is geen parkje waar je naartoe gaat. Je moet er toevallig op stuiten, dan heb je geen verwachtingen en ervaar je het als een groot cadeau.

Vrij werk

Voordeel van een kind bij je hebben, is dat je je verwondering kunt delen. ‘Kijk nou eens,’ wijs ik Roos als ik een beeld zie staan. Een meisje met vlechten en ontluikende borstjes, die beschermend haar arm om een mager, jonger jongetje slaat. Hij doet stoer, hand in de zij.

Het is van Hildo Krop, die ik eigenlijk alleen ken als stadsbeeldhouwer. Zijn werk is nauw verbonden met de Amsterdamse School; hij maakte een groot aantal kunstwerken voor bruggen, gevels en pleinen gebouwd in de periode 1914-1930. Twee kinderen, waarvoor zijn zoon Johan en dochter Heleen model stonden, behoort tot zijn veel minder bekende, vrije werk.

Het park telt zeven beeldhouwwerken uit het bezit van het Stedelijk Museum, aangekocht door Willem Sandberg, directeur van 1945 tot 1963.

Een ander herken ik direct als een Jan Bronner. Hij beeldde verschillende personages uit de Camera Obscura van Hil­-
debrand uit. In het Siegerpark Keesje, het diakenhuismannetje dat zijn zuurverdiende centjes moest afdragen aan de ‘vader’ van het diakenhuis. In het Vondelpark, bij het Rosarium, Teun de Jager met zijn jachthondje. Die ga ik Roos volgende week laten zien.

Elsevier nummer 19, 9 mei 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.