cultuur

Sciencefictionfilms leunen steeds sterker op de wetenschap

Door Rob van Scheers - 29 mei 2015

Wetenschappelijke onderbouwing wordt steeds belangrijker in het sciencefictiongenre. Want al is het fantasie, het moet wel kunnen. In theorie.

Vrijdagavond, filmavond. In het International Space Station (ISS) is dat een goed gebruik. Navraag bij André Kuipers leert hoe ze wekelijks een schijfje in een laptop staken, die laptop vrij lieten zweven, waarna de crew van astronauten en kosmonauten zich er gezellig omheen schaarde.

‘We hebben Apollo 13 gedraaid, met Tom Hanks. We waren fan van Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssey. En lekker griezelen deden we met de Alien-reeks,’ zegt Kuipers.

Mooi beeld is dat. Een filmclub in de ruimte, met een hang naar sciencefiction. Die Apollo 13 is weliswaar semi-documentair, met Alien betraden ze het genre dat elk jaar weer zo populair blijkt – dat van de ruimte-opera & sf-aanverwanten. In 2015 is het niet anders.

Eigen wetten

Zo’n verrassende film als Christopher Nolans Interstellar (eind 2014) zit er weliswaar niet tussen, de lijst aan Hollywood-sciencefiction is weer tamelijk eindeloos. Terwijl het genre nog niet zo eenvoudig is uit te voeren. Sciencefiction staat of valt met de filosofische constructie. Het zou meer moeten zijn dan special effects, schieten en achtervolgingen. Laat staan een luie remake van een kassucces.

Het is een genre met volstrekt eigen wetten, de geslaagdere voorbeelden bewijzen dat. Er zal toch ten minste een begin van een wetenschappelijk idee in moeten zitten. Je kunt veel zeggen van nerds, maar niet dat ze zich door hocus pocus laten inpakken. Een regisseur kan dus maar beter zijn kosmische zaakjes voor elkaar hebben voordat hij gaat draaien.

Het is een veelgestelde vraag: hoe science is sciencefiction precies? Boekenkasten zijn erover volgeschreven. Beroemd voorbeeld is The Physics of Star Trek (1995), waarin theoretisch natuurkundige Lawrence M. Krauss zich buigt over de wetenschappelijke kant van de avonturen van kapitein Kirk en meneer Spock. Het boek werd een internationale bestseller.

Hubble

Enigszins vergelijkbaar is de zojuist verschenen studie Robots, aliens en popcorn. Wetenschap op het witte doek van George van Hal, van huis uit sterrenkundige en redacteur bij de Nederlandstalige editie van het populair-wetenschappelijke tijdschrift New Scientist.

Op zich al opmerkelijk dat juist een astronoom de moeite neemt om zich in Hollywood en ruimtereizen te verdiepen. Doorgaans hebben die niet zo veel op met bemande ruimtevaart: een verspilling van tijd en geld. Zij meten liever met hun radiotelescopen, of zagen graag een verbeterde versie van de Hubble de lucht ingaan.

Op basis van zijn tekst kun je zeggen: astronoom Van Hal behoort niet tot dat strenge kamp. Hij laat zich meeslepen door wat Hollywood ons schenkt, en toetst de filosofieën die erachter schuilgaan.

Goed geïnformeerd behandelt hij zaken als robots, cyborgs en artificiële intelligentie. Het gaat over wormgaten, sneller dan het licht willen reizen, parallelle universums, de zoektocht naar buitenaards leven – enfin, alles waarop de grote sciencefictionfilms zijn gebouwd.

Wormgat

Want ook Hollywood heeft bijgeleerd. Zonder wetenschappelijke adviseurs worden zulke megaproducties bijna niet meer gemaakt. Lastig voor de scenaristen, die hun fantasieën plotseling geblokkeerd weten door de theoretische onmogelijkheid ervan.

Scheve gezichten, oeverloos gehakketak, gesmijt met deuren – maar omdat ze bij Interstellar de vooraanstaande wormgatfysicus Kip Thorne uitputtend hebben geraadpleegd, kunnen de overige studio’s eigenlijk niet meer achterblijven.

Of eigenlijk was dat al eerder zo. Van Hal schetst hoe regisseur J.J. Abrams in 2009 voor de doorstart van de Star Trek-franchise maar geen goed einde kon vinden. Hij wist alleen dat de USS Enterprise aan het slot naar ons zonnestelstel moest terugkeren om de aarde te redden van een buitenaardse dreiging. Abrams belde met planeetwetenschapper Carolyn Porco, specialist Saturnus.

Hij legde uit op zoek te zijn naar een visueel verrassingseffect. Plotseling zou de Enterprise moeten opduiken, tot verbijstering van de personages én het publiek.

‘O, maar dan laat je het ruimteschip toch tot stilstand komen in de atmosfeer van Titan?’ opperde ze. Daar, op een van de manen van Saturnus, bestaat een nevelige, dikke smoglaag, binnen het zonnestelsel de enige in zijn soort. Als een onderzeeër kon de Enterprise daar als bij toverslag uit omhoog komen.

Aliens en popcorn

De wetenschappelijke tip werd in dank aanvaard. De scène kwam exact zo in Star Trek, en werd vooral door het ruimtevaartgekke Amerikaanse publiek gevierd als een vondst van jewelste. Dat het in theorie écht kon, maakte het alleen maar beter.

Het is maar een van de voorbeelden uit Robots, aliens en popcorn waaruit blijkt dat wetenschap en amusement in staat zijn tot een goed huwelijk. En dan, als alles doortimmerd in elkaar steekt, komt zo’n film misschien wel op de playlist van het ISS. Hoger kun je als filmmaker niet komen.

Elsevier nummer 23, 6 juni 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.