cultuur

Tuinontwerper Piet Oudolf: ‘Ik heb gevoel voor compositie’

Door Irene Start - 12 mei 2015

Zeventig jaar en op de toppen van je kunnen zijn: tuinontwerper Piet Oudolf is gewild. Onlangs verscheen een overzichtswerk.

Piet Oudolf (70) is net terug uit Texas, Verenigde Staten, en heeft er de woestijn zien bloeien. Bijzonder, want dat gebeurt slechts eens per jaar en alleen als het daarvoor genoeg heeft geregend. Met vrienden trok hij ook langs Marfa, Austin en Houston, en hij pikte een expositie mee van de minimalistische kunstenaar Donald Judd. ‘Het was allemaal prachtig.’

Zijn vrouw en toeverlaat Anja (66) was deze keer niet mee, ook thuis moet het goed zijn geregeld. ‘We kunnen onze tuin in Hummelo niet zomaar alleen laten.’

Hummelo is het plaatsje in de Achterhoek waar de kwekerij is gevestigd die het echtpaar tot 2010 runde. De plaatsnaam zit ook in de titel van het meest recente boek over hem, Oudolf. Hummelo (Fontaine Uitgevers), dat is uitgebracht ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag.

De Britse journalist en tuinontwerper Noel Kingsbury schreef het toegankelijke overzichtswerk. Het leest niet alleen als een biografie van Oudolf, maar ook als een geschiedenis van het tuinieren in Nederland in het algemeen.

‘Dat wilde ik per se zo. Niemand doet iets vanuit het niets. Ik ben gevormd door de reizen naar Engeland en Duitsland. Maar ik ben ook diepgaand beïnvloed door Mien Ruys, hoewel onze stijlen zeer verschillen. Daarnaast zijn mensen als Henk Gerritsen en tuinier-filosoof Rob Leopold ontzettend belangrijk voor me geweest.’

Kunstig verval

Toen Oudolf jong was, lag een carrière in tuinieren bepaald niet voor de hand. Hij groeide op in een horecafamilie in Bloemendaal. De ontwerper in spe werkte eerst in het bedrijf van zijn vader en had daarna diverse andere baantjes.

Pas toen hij midden twintig was, werd Oudolf door het tuinieren gegrepen. Hij volgde een opleiding en werkte in een hoveniersbedrijf. Daarna begon hij voor zichzelf. ‘Waarom ik goed in ontwerpen was? Ik houd erg van het creatieve proces en bleek talent te hebben voor compositie.’

Toen de ontwerper bijna veertig jaar geleden begon, was de traditionele Engelse tuin de heilige graal. ‘Decoratief, bloemen en kleur. Ik vond het saai, dogmatisch, er was zo veel voorgeschreven.’

Oudolf houdt niet van getut, hij wilde het losser, natuurlijker, en bracht een zekere masculiniteit mee in een door vrouwen gedomineerde tuincultuur. ‘Alleen maar mooi is niet interessant. Lelijk kan ook karakter hebben. Het gaat allemaal om de context: waar staat het?’

Siergrassen

Een breed scala aan planten en een afgewogen palet kenmerken Oudolfs stijl. Plantenkennis is daarbij onontbeerlijk. In de jaren tachtig begon hij zelf planten te kweken omdat hij ze nodig had voor zijn ontwerpen. Hummelo werd van zomaar een kwekerij een laboratorium waar driftig werd geëxperimenteerd. De ontwerper maakte een aantal planten populair.

‘We vonden op een gegeven moment een zaailing,’ vertelt Oudolf in het boek, ‘een Gaura lindheimeri die extreem lang bloeide. We noemden hem Whirling Butterflies.’ De plant, met fijne opstaande stengels met witte of roze bloemen, wordt nog steeds gekweekt en combineert goed met siergrassen.

Grassen zijn ook favoriet bij Oudolf, ze keren terug in veel ontwerpen. Zo vaak zelfs dat The Telegraph hem ‘the father of prairie-planting‘ noemde. Eerder noemden de Britten zijn stijl al de Dutch Wave. ‘Ecology meets design,’ oordeelde The New York Times in 2008 – kunstig gepland verval. Want hoe wild en natuurlijk zijn parken er ook uitzien, bloei en verval zijn bij Oudolf wel degelijk georkestreerd.

Status

Oudolf begon met het ontwerpen van bescheiden particuliere tuinen, maar werd het meest bekend met zijn werk voor de openbare ruimte. Vooral in Engeland en de Verenigde Staten. Het ‘herinneringspark’ bijvoorbeeld na 9/11 in New York. En de 2,5 kilometer lange High Line in New York, uit 2009.

Hiervoor transformeerde Oudolf een verhoogd gebouwde goederenspoorlijn tot een openbaar park, een opmerkelijk experiment in stedelijke landschapsarchitectuur. Een rijke variatie aan planten trekt heel wat bezoekers naar de High Line, het hele jaar door. Oudolf moet de laatste fase nog afmaken, maar hij is blij dat het park veel mensen trekt.

‘Het gaat om de beleving. Bezoekers moeten er goed kunnen verpozen. Bij een klein park zijn de eisen anders dan bij een grotere openbare ruimte; bij de laatste kan ik de natuur meer haar gang laten gaan.’

Goed team

Bij opdrachten voor particulieren gaat het om wat zij graag willen en nodig hebben. ‘In een tuin voor een gezin met kleine kinderen hoort toch altijd een schommel. In een particuliere tuin kun je werken met eenjarige planten en bloemen. Dan is de eigenaar misschien zelfs verheugd als er eens een plant doodgaat, want dan kan hij hem vervangen en er lekker zelf mee aan de gang.

Voor ontwerpen van en in de openbare ruimte is veiligheid van belang, net als het onderhoud. Als je daarvoor geen goed team hebt, dan loopt het niet goed af.’

Wat goed is, hangt af van de locatie, de context en een land. ‘Dat de High Line zo’n succes is, heeft ook te maken met de iconische plaats. En het was op uitnodiging van een vooraanstaand bureau.’ Hierdoor was het ook mediageniek, denkt Oudolf. ‘Als je hetzelfde project midden in een dorp had geplaatst, dan had het nooit al die aandacht gekregen.

‘Met een tuin is het net als met kinderen: die moet je naar volwassenheid begeleiden. Niet alles gaan bepalen, dat gaat fout. Maar je kunt fouten wel opmerken.’

Mislukkingen horen erbij, en die waren er in zijn carrière ook heus wel, zegt hij. ‘In de jaren negentig bijvoorbeeld, toen ik iets deed in een klimaat dat ik niet goed kende. Of je gebruikt planten die het na twee jaar al begeven. Ik houd van natuurlijke processen en probeer het plaatje compleet te houden, maar juist door natuurlijke verandering worden de dingen soms minder mooi.’

Energie

Oudolf had makkelijk een groot aantal mensen om zich heen kunnen verzamelen, opdrachten genoeg. Maar daarin had de ontwerper geen trek: ‘Ik werk per project. Ik schuif overal in. Ik heb nooit de behoefte gehad om er een groot bedrijf van te maken. De kwekerij is in Hummelo, dat is toch even rijden vanuit de stad. Jonge mensen trekt dat, maar uiteindelijk willen ze terug, terwijl je net veel energie in ze hebt geïnvesteerd.

‘Vroeger was het niet zo, maar sinds een paar jaar zie je dat architecten ook weer meer oog hebben voor groen. Er is veel hobbyisme wat tuinieren betreft. En dan die moestuintjestrend, die bevredigen kennelijk toch een behoefte.

‘Dat was ook het goede van die Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs die ik in 2013 kreeg, waarna we met een kapitaal van 75.000 euro het Piet Oudolf Groen in de Buurt Fonds instelden. Dat fonds moet braakliggende terreinen in de stad omvormen tot een groene omgeving. Iedereen moet in aanraking komen met tuinen, moet leren hoe planten groeien. Tuinieren leer je niet uit een boek. Je moet snoeien, spitten, graven, paden leggen. Het echt doen.’

Bescheiden

Van de kwaliteit van de openbare ruimte in Nederland is Oudolf niet bijzonder onder de indruk. ‘Ik zie niet veel wat me aantrekt. Er wordt weinig geld voor uitgetrokken. Ik kom daartegen niet in het geweer, ben geen man met een missie, daar houd ik niet van.

Niet altijd is het een kwestie van budget. Neem Doetinchem, daar wordt extra op beplanting gelet. En je moet een goed onderhoudsteam hebben.’

1982-2010 Kwekerij in Hummelo
2002 Gouden Veitch Memorial Medal, Royal Horticultural Society
2003-2005 Gardens of Remembrance, New York
2009 High Line, New York
2013 Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs
2014 Rotterdam-Maaskantprijs

Oudolf is veelgevraagd. Nu ligt er een verzoek van een elektriciteitsmaatschappij uit San Francisco: een groot project. ‘Ik heb er lang over nagedacht, maar ga ze vandaag zeggen dat ik het tóch niet ga doen. Ik houd van tuinieren, heb er nog altijd plezier in. Maar liever een paar bescheiden projecten in New York, dan steeds heen en weer vliegen voor meetings waarbij je alleen nog te maken hebt met een projectmanager.

‘Ik houd van het creatieve proces, houd ervan iets moois te maken, maar ik ben niet bezig om een oeuvre neer te zetten. Mijn tijdelijke tuin uit 2011 voor de Serpentine Gallery in Londen was anders dan die ik in 2014 voor galerie Hauser & Wirth in Somerset ontwierp. Die galerie ligt vrij afgelegen, maar trok toch honderdduizend bezoekers. Ja, daarop ben ik zeker trots.’

Elsevier nummer 20, 16 mei 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.