cultuur

Vier liefhebbers over hun favoriete plant in huis

Door Liza Karsemeijer - 12 mei 2015

Vier plantenliefhebbers over stekjes, eetbare blaadjes en cactusstekels. ‘Je moet het stadsleven compenseren’

Foto’s René van der Hulst

‘Mijn schoonouders hebben deze gatenplant als stekje gekocht en verzorgd tot hij zo groot was als hij nu is. Toen ik een paar jaar geleden voor het eerst bij hen thuis kwam, vond ik de plant meteen prachtig: hij doet me een beetje aan mijn reizen denken, hij heeft wel wat exotisch, wat tropisch. Ik denk dat ik iets te vaak heb gezegd hoe mooi ik hem vond, want anderhalf jaar geleden kwamen mijn schoonouders opeens met die enorme plant in hun kleine autootje voorrijden. Hij staat nu mooi in de hoek naast het raam. Er zijn al drie nieuwe bladeren aan gekomen. Dat is grappig om te zien: eerst is het een soort rolletje en dan opeens vouwt het zich open en komt er zo’n prachtig blad uit. Echt groene vingers heb ik niet, ik probeer altijd maar wat: ik geef hem water, stof zijn bladeren af en soms besproei ik ze met de plantenspuit.’

‘Mijn vader was tomatenkweker, dus de liefde voor planten is mij met de paplepel ingegoten. Wij mensen zijn gebouwd op leven in de natuur, maar terug naar het boerenleven kunnen we niet meer. Dus moeten we het stadsleven compenseren met groen in huis. Een grote kamerplant is een investering, maar gaat tientallen jaren mee. Ze zorgen voor luchtzuivering, vochtregulering, geluiddemping en ze ontstressen. Deze Euphorbia, een wolfsmelk-achtige, wordt vaak cactus genoemd. Hij komt van de Canarische Eilanden, waar hij is opgekweekt tot hij groot genoeg was om te worden verkocht. Dat duurt een jaar of vijftien, hij groeit maar een paar centimeter per zomer. Ik vind het geweldig, zo’n stoere cactus in huis. Hij is makkelijk in onderhoud: alleen in de zomer af en toe wat water. En deze is kindvriendelijk: hij heeft maar kleine stekeltjes.’

‘Mijn schoonvader heeft de plant in 1983 gekocht en tot zijn overlijden in huis gehad. Hij was gek op planten, heel zijn woonkamer stond er vol mee: behalve deze Schefflera had hij ook een potloodplant en een bananenplant. Toen mijn man Leo en ik na zijn overlijden zijn spullen aan het uitzoeken waren, heb ik die drie planten meegenomen. Leo interesseert het niet zo, maar ik kon ze niet laten staan. Vooral de potloodplant vond ik bijzonder mooi, maar die brak uiteindelijk, en ook de bananenplant heb ik niet meer. De Schefflera doet het na 31 jaar nog steeds goed. Hij staat nu bovenaan de trap in de hal en groeit in allerlei gekke bochten over de balustrade heen, die hij als steun gebruikt. Als hij rechtop stond, zou hij meters lang zijn. Het is geen zeldzame plant en hij ziet er een beetje vreemd uit, maar ik doe hem niet weg.’

‘Dit onsterfelijkheidskruid is een afstammeling van het plantje dat ik vijftien jaar geleden kocht, het stond toen op een balkonnetje in Den Haag. Uit de stekjes kweekte ik elk jaar een nieuwe plant op. In Nederland is het vrij onbekend. In Zuidoost-China, waar het oorspronkelijk vandaan komt en veel als thee wordt gebruikt, wonen opvallend veel honderdjarigen. Zelf maak ik er ook thee van, en limonade, of ik doe het door de pesto met loof van radijsjes en raapsteeltjes. Mijn atelier staat vol met planten: ik zou niet zonder kunnen. Ik praat soms zelfs tegen ze, vind ze mysterieus en wijs. De natuur heeft iets magisch: je stopt een zaadje in de grond en met wat zon en water komt daar een hele plant of boom uit groeien. Dat is toch een wonder?’

Elsevier nummer 20, 16 mei 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.