cultuur

Thé Lau: ‘Zingen is voor mij arbeid, ik ben geen natuurtalent’

Door Hugo Camps - 24 juni 2015

Zanger, muzikant, componist en schrijver Thé Lau is gisteravond thuis in Amsterdam overleden. Thé Lau was al geruime tijd ongeneeslijk ziek. Hij is 62 jaar geworden.

Hugo Camps interviewde Thé Lau in mei 2008 voor weekblad Elsevier.

Ooit sprak hij Oscar Wilde na: ‘Jeugd is verspild aan jonge mensen.’ Zijn moeder vond dat toen te gestileerd. Toch had het een uitspraak van Thé Lau kunnen zijn. De zanger met het sponsachtige genie voor paradoxen.

‘Van mijn vader weet ik dat hij een slechte vader was op momenten dat hij een goede vader probeerde te zijn en dat hij een goede vader was op momenten dat hij helemaal niets probeerde. Een goede vader is als je die harde nagels door de stof van je kleding heen voelt.

‘De liefde is voor mij überhaupt de grootste paradox. Je bemint je vrouw meer wanneer je haar gadeslaat dan wanneer je haar in de armen hebt.’

Thé Lau: ex-voorman van The Scene, nu vooral solozanger en schrijver van liedjes en boeken. Verstild in droom en daad, maar nog steeds met een onvervuld verlangen naar experiment. Dezer dagen bespeelt hij theaters met het blaasensemble De Volharding. Een project noemt hij het: het is een orkest met historie.

‘Welnee, de intimiteit van mijn liedjes wordt niet weggeblazen. Het is een kwestie van verdelen. Ik ben nu 55 jaar en voel continu dat ik aan verandering onderhevig ben. Ik voel groei. Of dat creatief waardevol is, weet ik niet, maar de groei is er en gaat maar door.’

Paradox

Verlegen en dromerig, zo kennen we hem. De rauwe stem, de grimassen van wanhoop, het wankelmoedige: het is altijd een beetje winter in het gezicht van Thé Lau. Inherente kou. Terwijl hij druipt van de poëzie, soms met de klank van staaldraad, soms als zingend riet – ook weer zo’n paradox.

‘Ik wilde niet langer in een band. Een aantal jaren geleden heb ik besloten om solo te gaan. De rek was uit The Scene. In Nederland vinden mensen het niet leuk dat ze je niet meer kunnen vastspijkeren op de plek die zij in gedachten hadden. Ik speel nog wel een enkele keer met The Scene, maar alleen als het zin heeft, op festivals en zo. Verder zie ik er het nut niet meer van in.

‘De band leed aan generatieverschillen. Er zijn ooit vreselijke dingen gezegd, er is weleens geslagen. Ik was de baas, maar ik heb niet de aard van een baas. Als er muziek wordt gemaakt in de studio neem ik het over. Op het podium veel minder. Ik heb graag een vangnet om me heen. Al is dat aan het kantelen. Nu ik met De Volharding in concertzalen speel, neem ik wél het voortouw. Ik ga geen pauzes meer inlassen om nog een paar instrumenten te stemmen.’

Rockers onder elkaar kunnen wreed zijn. ‘Nou, dat mag je wel zeggen. Maar het is not done om dat op een festival te laten zien. En het is natuurlijk niet altijd moord en doodslag. Ik was geroerd door de bijdrage van Tom Barman aan mijn cd. Hij hoefde maar één regeltje te zingen en was toch de hele dag in de studio aanwezig. Met Sarah Bettens heb ik hand in hand gestaan. Dan voel je de présence van zo’n vrouw: zachtaardig en toch ferm.

‘Het verlangen naar festivals is er nog steeds. Een rockoptreden in de open lucht is het mooiste. Vooral als de schemer valt. Terwijl je aan het spelen bent, wordt het donker en gaat de podiumverlichting aan. Je komt op en je ziet de gezichten, en aan het einde van het optreden zie je niets meer. Dat is het allermooiste. Geweldig!’

Schaamte

Een reusachtige meeuw daalt neer op het terras van het restaurant waar we zitten. Thé: ‘Zie je dat? Daar word ik nou stil van. Dat zo’n prachtige vogel de nabijheid van de mens niet schuwt: verdienen wij dat wel?’

Toch is hij minder vaak versteend in sprakeloosheid dan vroeger. ‘Omdat ik nu meer nadenk voor ik iets zeg. Laatst is een goede vriend van mij overleden. Ik ging hem vaak opzoeken, maar we hadden het nooit over de dood. Dat soort vragen durf je niet te stellen. Je kropt het op, tot je wat gedronken hebt. Jawel, tekenen van genegenheid krop ik ook op tot ik wat gedronken heb. Ik ben een vrij gesloten mens.

‘Herman Brood had een mooie uitspraak: “Ik kan mij geen schaamte permitteren.” Ik denk dat hij gelijk heeft: van schaamte ga je (mond)dood. Het scheve perspectief dat je naar anderen toe in jezelf hebt, is vaak niet terecht. Later weet je: hij was ook een klootzak. Maar daar gaan eerst een paar dagen overheen.

‘Met Hugo Claus deel ik de gedachte: Ni maître, ni Dieu. Geen bovenmens. In mijn eentje kom ik ook een eind. Ik heb nog wel een agenda, maar het is een agenda van mijn eigen keuze. Ik heb geen platenmaatschappij: als ik een plaat wil maken, maak ik gewoon een plaat. Een uitgever kan mij niet aan het schrijven zetten. Dat is luxe. Ik weet nog toen ik speelde met Neerlands Hoop. Freek kon scherp zijn, zelfs zonder drank op. Op een keer zei hij: “Vind je niet dat je erg veel verdient voor een jongen van negentien?” Ik had het wel iets profaner verwacht van Freek. Geld boeit me niet. In 2006 heb ik genoeg verdiend om twee jaar niet te hoeven spelen. Maar ja, probeer het maar eens te laten, spelen.’

Tennis

Onlangs is hij weer met tennissen begonnen. ‘Als kind was ik vrij goed in tennis. Mijn ouders hadden een tennispark in Bergen. Op provinciaal niveau kon ik best mee. Ballen in de hoek haal ik nu niet meer. Ik volg het tenniswereldje nog wel, vooral de dingen die eromheen hangen.

‘Neem Justine Henin: ze heeft alles tegen, fysiek al helemaal. Toch zijn haar prestaties spectaculair. Al heb ik haar ook een paar keer zien valsspelen. Dat ik dacht: dit is op het randje. Bij Roger Federer zie ik veel poëzie in zijn slagen, maar niet in zijn gedrag.

‘Succes ontstaat bij mij niet vanuit een voornemen. Ik probeer mijn leven te vatten in een understatement, in muziek en proza. Dat ligt bij topsporters natuurlijk anders. Al ben ik zelf misschien ook wel meer publieksspeler dan ik ooit heb gewild. Op het podium ben ik een ander mens. Ik heb eens een auralezer in mijn kleedkamer gehad. Zo’n man die iets ziet wat wij niet zien. Hij zei: “Toen ik jou op het podium zag, had je het grootste aura dat ik ooit heb gezien. En nu ik tegenover je zit, is daar niets van over.” Ik heb eens gelezen dat 70 procent van de piloten hoogtevrees heeft. Ik denk dat het met optreden ook zo is.’

Zwarte kleren

De roerige jeugd van Thé Lau in het dorp Bergen. ‘Mijn moeder was een vrijgevochten vrouw. Zij liep in broekpakken in een tijd dat zelfs feministen nog niet op het idee waren gekomen. Zij was haar tijd vooruit, maar ze was ook iemand aan wie je makkelijk een hekel kon krijgen. Haar eerste man, de vader van mijn halfbroer en -zus, is naar Indië vertrokken en nooit meer teruggekomen. Mijn moeder kon er niet tegen dat ik altijd zwarte kleren droeg. Pas later ben ik erachter gekomen waarom ze zo’n hekel had aan die kleur. Mijn vader moet ooit, even, een heftige relatie hebben gehad met een statige, chique vrouw die altijd in het zwart gekleed was.

‘Het leven van mijn vader is door de oorlog bepaald. Hij zat in het verzet, maar ook weer niet helemaal. Hij werd later als collaborateur gezien. Op een nacht heeft hij in de cel op zijn executie zitten wachten. Daardoor is iets in hem geknakt. Over die tijd heeft hij mij nooit iets verteld, maar, grappig genoeg, wel aan mijn vrouw.’

Drank en ruzie waren de desem van het gezin. ‘Ik heb altijd gedacht dat ze uniek waren in hun zwartigheid. Mijn debuutroman Hemelrijk gaat over mijn vader. Ik bewonderde hem. Ik heb eindeloos zitten staren naar de handigheid waarmee hij als visser een worm aan een haakje reeg.

‘De manier waarop hij mij tennisles gaf, haatte ik dan weer. Alles wilde ik anders doen. In tegenstelling tot mij was mijn vader een exuberante, flamboyante man. Toen ik hem in zijn levensavond transporteerde, van winkel naar winkel, heb ik gezien hoe hij het personeel inpalmde om het beste stukje kaas te bemachtigen. Dat waren toneeltjes.

‘Als ik nu aan hem denk en voel wat hij mij heeft meegegeven, dan spreek ik toch over een schat. Ik hoop dat mijn twee zoons ook zo positief over mij zullen denken als ik dood ben. Kinderen moeten op een gegeven moment de knop kunnen omdraaien in het negatieve denken over hun ouders. De dag dat ik dertig werd, heb ik op mijn verjaardagsfeest besloten dat ik een verantwoordelijke man zou worden.

‘Die dag had ik mezelf droog gelegd, terwijl iedereen om me heen natuurlijk hartstikke dronken werd. Dat feestje was geen pretje. Toen heb ik de beslissing genomen om mij, in al mijn klachten, niet meer af te zetten tegen mijn jeugd en mijn ouders. Langzaam is het inzicht gekomen dat getourmenteerde liefdes nooit rijpen tot goede gezinnen. Je hebt een kalmere liefde nodig om een gezin te stichten. Ik ben tien jaar met een vrouw geweest die systematisch mijn zelfvertrouwen vol dynamiet gooide. Ze maakte er een dagtaak van om haar man af te branden.’

Loser

Zijn vrouw Marijke ontmoette hij halverwege de jaren tachtig. Zij was een succesvolle producent bij IDTV. Niemand begreep dat Marijke op Thé was gevallen: ‘Wat moet je nou met zo’n loser ?’

Vertederd: ‘Zonder Marijke had ik mijn leven nooit voor elkaar gekregen. Zij leest alles van mij als eerste, doet de eerste redactie van mijn proza. In de hits ‘Iedereen is van de wereld’ en ‘Blauw’ zitten wat krukkige zinnen. Dat laat Marijke niet passeren. Natuurlijk ben ik zelf ook meer geoefend in het schrijven. Met waarnemingen op straat heb ik het soms moeilijk. Maar als ik over verzonnen situaties kan schrijven, hoeft er nog maar weinig geredigeerd te worden. Van dialogen krijg ik een heuse kick.’

Thé Lau is in Vlaanderen legende bij het leven. ‘Ik voel nog steeds een tinteling van opwinding als ik de grens oversteek. Al ben ik ook wel huiverig voor het incestueuze klimaat van het Vlaamse muziekwereldje. Het zou kunnen dat we verankerd zijn in een zekere zwaarmoedigheid.

‘Ik praat niet hard en heb niet de neiging om me met de ellebogen naar boven te werken. Het laatste is in Nederland cruciaal, in Vlaanderen is dat minder. Mijn doorbraak in Vlaanderen heeft veel voor me betekend, ook omdat ik applaus kreeg van een publiek dat meer naar Frankrijk dan naar Nederland kijkt.

‘Ik heb een avond in Parijs gezongen. In een nieuw theater, boven een eetcafé. Een hoop gedoe. Eerst zouden mijn teksten in het Frans worden vertaald. Toen ik ze onder ogen kreeg, begreep ik de helft niet van wat er stond. Ik heb toen maar gezegd: ik zing gewoon in het Nederlands. Er is alles in het werk gesteld om de Nederlandse club in Parijs naar het theater te halen. Vergeefse moeite. Er was niet één Nederlander aanwezig.

‘Nooit heb ik zo veel succes gehad als die avond in Parijs. Toen ik na afloop in het eetcafé kwam, legden de mensen hun bestek neer, stonden op en brachten me een staande ovatie. Dat had ik zelfs in Vlaanderen nog niet meegemaakt. Op zo’n moment denk je: ik ben echt goed, ook nog in de stad van Jacques Brel.’

Humor

De onderbuik van Nederland houdt hij liever op afstand. ‘Ik denk dat dit land in paniek is. Aan de andere kant: in een zaal in Drachten kom ik weinig aanhangers van de PVV tegen. Ik ga in Amsterdam weleens biljarten in een volkscafé. Daar was destijds iedereen gevallen voor Pim Fortuyn. Eerst begreep ik het niet, maar later zag ik: zij willen een leider.

‘Ik durf te zeggen dat ik de uitstraling van Rita Verdonk luguber vind. Op een avond zat ik met een aantal Bekende Nederlanders in een kamertje. Het ging erover om een asielzoeker in huis te nemen. Linkse mensen bij elkaar. Het eten was afschuwelijk: veganistische pasta. Geen humor. Linkse mensen zijn zelden leuk. Verdonk zou ook komen, maar liet nog even op zich wachten. Ik dacht meteen: dat rock-‘n-rolltrucje ken ik wel. Toen ze binnenkwam stond haar gezicht op: nee. Dat zou in de loop van de avond niet meer veranderen.

‘Ik woon in een volkswijk. Het wemelt er van de Antillianen, Marokkanen, Turken. Ja, er gebeurt weleens wat, maar niet veel meer dan dertig jaar geleden. Ik denk dat Verdonk en Geert Wilders niet veel te maken hebben met allochtonen. Ze hebben geen historisch perspectief. Dertig jaar geleden werd er op Nederlandse – dus witte – kermissen ook gevochten. Er werden zelfs messen getrokken. Van mijn jeugd herinner ik me dat ik op zondag vanuit mijn jongenskamertje roomse buren naar de kerk zag stiefelen. Op maandag kwamen ze onze tuin vernielen.’

Is het ondenkbare denkbaar: Thé Lau, thuis, als kanarie in de badkamer? Nee, dat is het niet. ‘Ik houd niet van zingen. Zingen is voor mij arbeid. Het is echt hard werken. Daarom zie ik er ook zo gepijnigd uit op een podium. Ik ben geen natuurtalent en kan er dus ook niet uitzien als een zingende glimlach.

‘Bij The Scene was het een ramp. Als ik oude opnames terughoor, ga ik door de grond. Eigenlijk ben ik pas na de breuk met de band goed gaan zingen.’

Wasmachine

Deze zomer speelt Thé Lau de hoofdrol in een opera over Cornelis Drebbel. Cornelis wie? ‘Een interessante man, een Alkmaarder. Gefascineerd door techniek. Ik weet nog steeds niet of hij een genie was of een oplichter, maar naar het schijnt heeft hij in de zeventiende eeuw de eerst functionerende duikboot gemaakt.

‘Ik sta in die opera tussen mensen die als ze in Alkmaar aan het zingen gaan, ze in Amsterdam de gevel van ING kunnen laten instorten. Ik moet nog zien hoe dat moet.

‘Ach, het dubbele van mens en techniek. Mijn vrouw loopt altijd te vloeken op apparaten als computer, telefoon, dat soort nuttigheden. Over de afwasmachine, de wasmachine en de droger hoor ik haar nooit.’

Nooit heeft iemand Thé Lau op een podium horen vloeken. ‘Bij het spelen lukt het me niet om godverdomme te zeggen. Als ik proza schrijf, gaat het vanzelf. Ook nog van harte.’

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.