cultuur

Waarom geestelijke autoriteiten zo negatief zijn over seks

Door Gerry van der List - 03 juni 2015

Een soepele verhouding tussen religie en erotiek is zeker geen constante in de godsdienstgeschiedenis. Heel anders was het in de Klassieke Oudheid.

Het was een flinke rel. In 1966 beschreef Gerard Reve in Nader tot U hoe hij seksuele gemeenschap had met een als ezel geïncarneerde God. Gelovigen toonden zich geschokt. De SGP stelde vragen in de Tweede Kamer en de schrijver moest zich verantwoorden voor de rechtbank: het ezelsproces.

Het leek weer een van die bizarre reviaanse fantasieën. Maar het beeld van mensen die seks bedrijven met goden, in welke vorm dan ook, is niet uniek. De Griekse mythologie bijvoorbeeld bevat verhalen over seksuele escapades van Zeus. De oppergod had niet genoeg aan zijn goddelijke echtgenote Hera en liet zijn oog weleens vallen op aardse vrouwen.

Bekend zijn verder het huwelijksavontuur van Dionysos, de zoon van Zeus en god van de wijn, met prinses Ariadne en de stoeipartijen van de Sumerische ­godin Inanna met vele minnaars.

Meer voorbeelden zijn te vinden in Vrijen met God (Walburg Pers) van Jacob Slavenburg. De cultuurhistoricus is een expert op het gebied van de hieros gamos, de heilige bruiloft, waarin het goddelijke zich met het menselijke verenigt en hemel en aarde als het ware samenkomen.

Celibaat

Een soepele verhouding tussen religie en erotiek is zeker geen constante in de godsdienstgeschiedenis. Geestelijke autoriteiten hebben zich doorgaans nogal negatief en angstig opgesteld als het ging om seks.

Dit is heel duidelijk bij het christendom, zoals Slavenburg laat zien. Jezus wordt geboren uit een maagd en blijft ongetrouwd, wat voor de Rooms-Katholieke Kerk een reden vormt priesters het celibaat voor te schrijven. De fysieke hieros gamos van de Grieken maakt plaats voor een sacraal huwelijk zonder lichamelijkheid. De maagdelijkheid wordt hierin verheerlijkt als ideaal om tot eenwording met het heilige te komen.

In een eerder boek, ‘En de man zal heersen …’, sprak Slavenburg al van een ‘maagdelijksheidsmanie’. Deze zette de toon van het westerse christendom na de derde eeuw. De band tussen religie en seksualiteit werd doorgesneden. Deels vanwege theologische opvattingen, deels vanwege een diepe vrees voor de onbeheersbaarheid van fysieke driften.

Augustinus van Hippo (354-430 na Christus) verbond seksualiteit met de erfzonde, die was ontstaan door toedoen van een begerige vrouw, Eva. Het negatieve oordeel van de kerkvader werkte lang door en ging gepaard met een verachting van het lichaam, vooral dat van vrouwen. Met de gewelddadige vervolging van zogenaamde heksen als historisch dieptepunt.

Verleidingskracht

Het christendom staat in zijn houding jegens seksualiteit niet alleen. De drie grote monotheïstische godsdiensten vertonen op dit punt duidelijke overeenkomsten. De hoofddoekjes en burqa’s in de Nederlandse straten laten dagelijks zien hoezeer in de islam angst bestaat voor seksuele verleidingskracht.

Er zijn altijd wel tegenbewegingen geweest, zo leren we uit Vrijen met God. Er waren esoterische groeperingen die overtuigd waren van de waarde van seksuele genietingen.

Maar over het geheel genomen werd seksualiteit primair gezien als een gevaarlijke kracht, met vrouwelijke verlokkingen als voornaamste kwaad. Het resultaat, laat Slavenburg zien, was een bange erfenis van gefrustreerde relaties tussen man en vrouw.

Elsevier nummer 24, 13 juni 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.