cultuur

Handwerken: er moeten vrouwen zijn die er plezier aan beleven

Door Marijke Hilhorst - 23 juli 2015

Nuttige handwerken beheersen, was praktisch voor later en goed voor je karaktervorming.

Breien en haken zijn weer helemaal in. Er ontstaan allerlei clubs, met speelse namen als Averecht, Weldraad, Stitch ’n Bitch. Winkeltjes waar breiwol en borduurgaren worden verkocht, vestigen zich in de hipste buurten. Er moeten dus vrouwen zijn die er plezier aan beleven: aan handwerken. Bij mij is dat niet het geval.

Toen ik in de jaren vijftig op een katholieke lagere (meisjes)school zat, werden wij er streng in onderricht. Alles moest perfect worden afgewerkt. Broddelwerkjes werden niet geaccepteerd. Zo leerde je discipline. Op gemengde scholen, zo is mij verteld, kregen de jongens rekenles terwijl de meisjes zich bekwaamden in kruis- en kabelsteek.

Mijn moeder is heel zuinig geweest op een door mij geborduurd kleedje dat ze voor haar verjaardag kreeg, en nu gebruik ik het soms. Het zelfgenaaide schortje met de daaraan bevestigde, gehaakte pannenlappen is verdwenen, maar het gevoerde en met een scène uit Ot en Sien versierde omslag dat ik ter bescherming van bibliotheekboeken moest maken, heb ik nog wel.

IJdelheid

Nuttige handwerken beheersen, was praktisch voor later en goed voor je karaktervorming. Immers een vrouw die altijd wat omhanden had, zou haar tijd niet verdoen in ‘ijdelheid en ledigheid’.

En meisjes uit de lagere sociale klassen die hun eigen geld moesten verdienen en dikwijls als dienstbode aan de slag gingen, hadden een streepje voor als ze konden haken, naaien en breien, want dan wist de mevrouw bij zie ze solliciteerden dat zij netjes en accuraat werkten.

Stichtten ze zelf een gezin, dan had de huisvrouw profijt van de lessen: ze kon sokken breien, gaten in truien stoppen, een trappelzak naaien, een babylakentje versieren, een dekentje festonneren, een versleten winterjas keren.

Op mijn middelbare school kwam de nadruk te liggen op vrije expressie. Het nuttige aspect verdween helemaal uit de handwerklessen. We maakten artistiekerige wandkleden. En jawel, mijn moeder hing De kus, een nogal groot applicatiewerk geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van Gustav Klimt, in de huiskamer op.

Ze zei dat ze het prachtig vond. Ik ben bang dat dat toen ook voor mij gold. Pas later zag ik hoe wanstaltig het was en heb ik het in de vuilnisbak gekieperd.

Van alle handwerken had borduren de meeste status. Het was een decoratieve techniek, geen nuttige. Het waren aanvankelijk dan ook de welgestelde meisjes die de verschillende steken oefenden om vervolgens de meest ingewikkelde motieven te borduren op tasjes, stoelzittingen, kleren, boekomslagen.

Meisjes in de leeftijd van vijf tot veertien jaar begonnen bij wijze van oefening in het borduren en het merken van het later door hen zelf vervaardigde linnengoed en/of kledingstukken voor hun uitzet, met een merklap. Iedereen kent die: ze worden gekenmerkt door letters en cijfers.  De oudst bekende Nederlandse merklap dateert van 1572 en is in bezit van het particuliere merklappenmuseum in Dieteren.

Merklap

De oorsprong van de merklap ligt voor de hand: vroeger was het gebruikelijk om linnengoed één of twee keer per jaar door professionele wasserijen en blekerijen te laten reinigen. Om verwisseling te voorkomen werd het kostbare goed gemerkt met namen of initialen. Zo werd het alfabet geoefend; de cijfers werden gebruikt om aan te geven hoeveel exemplaren iemand van een bepaalde soort bezat.

Een verre nicht schonk mij een grote merklap, gemaakt in 1861 door Barbara Hilhorst. Met wat gepuzzel is zij tot leven te wekken. Barbara, ook wel Bartje genoemd, was in 1861 dertien jaar oud. Zij is de zus van mijn overgrootvader Gies.

Dat weet ik dankzij Henk van Hees, lid van de historische kring Eemnes, die me hielp de betekenis van de met kleurige wol op linnen geborduurde letters en cijfers te achterhalen.

Alles had betekenis. Zo staat bijvoorbeeld B O voor Barbara Otten, haar moeder, J(an) H(ilhorst) zijn de initialen van vader. Interessant is NDG. Dit schijnt veel voor te komen op merklappen van Eemnesser dames; het verwijst naar Naatje de Graaf, geboren in 1825, die handwerkles gaf in de geboorteplaats van mijn vader en grootvader.

De versieringen zijn deels religieus (symbolen van geloof, hoop en liefde), deels klassiek (de levensboom), maar de grootste versiering in het midden moet Eemnes voorstellen, naar een ontwerp van Naatje zelf. Ik herken het torentje van de kerk.

Elsevier nummer 31, 1 augustus 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.