cultuur

Wie goed luistert naar kippen leert ze vanzelf ondertitelen

Door Marijke Hilhorst - 16 juli 2015

Een groot deel van de dag verdaan met het zoeken naar een vrijstaand huis met een grote tuin, en een paar geschikte pandjes gevonden. Hoe nu verder?

Waarschijnlijk gebeurt er niets. Het verlangen om buiten te wonen, zal wel weer weg­ebben, ondergronds gaan.

Kwartaaldrinkers zijn mensen die zich eens in de paar maanden een stevig stuk in de kraag drinken, ik word met enige regelmaat overvallen door een diep verlangen om op het land te wonen en daar de grond te bewerken, mezelf te omringen met dieren, levend in soberheid en rust, ver verwijderd van de politiek, stadse drukte, twistzieke burgers.

Dat laatste zeg ik met Virgilius, die in zijn Georgica het landleven bezong, zijn afkeer van de stad uitsprak: ‘De lust om prachtige gebouwen/ En straten vol van volk t’aanschouwen,/ ’t Gewoel, ’t geloop, ’t gekoop, ’t gepraal,/ Kan ik verachten
allemaal.’

Ik zou daar nu aan toe kunnen voegen: weg van de toeristen en hun rolkoffers. Maar het voornaamste is: buiten zijn, in mijn overall kunnen lopen, op klompen of laarzen rondstiefelen, een roos snoeien, de clematis leiden, een klimhortensia water geven, de kipjes voeren, de hond aaien, het piepende hek een druppeltje olie geven, de goot schoonmaken.

Geroddel

Dat van die kippen had ik nog niet verteld. Ik droom er al jaren van dat ik kipjes heb. Je moet er een paar nemen en dan hopen dat ze het met elkaar kunnen vinden. Ik hou van het geluid dat kippen maken als ze scharrelen op zoek naar iets lekkers, een wurmpje, een made of een knapperig, groen blaadje, als het maar eetbaar is.

Het getok lijkt soms op een zacht gemopper, dan weer op krachtig geroddel, als de een een opgewonden vreugdekreet laat horen, reageert een ander met een snauw van afkeuring. Wie een tijd goed luistert naar kippen, leert ze vanzelf ondertitelen.

Zei ik al dat ik Wyandotte-krieltjes neem? Hun verenpakje is mooi, zilverzwart gezoomd – alleen die omschrijving klinkt al naar Parijs, Mi­laan, New York – en hun eitjes zijn beschaafd klein, zodat ik er vast wel iedere dag een mag eten.

Misschien, heel misschien neem ik ook Kunekune-varkentjes, die nooit groter worden dan de pasgeboren biggetjes van een gewoon varken en een heel vrolijk gevlekt velletje hebben.

Het riante kippenhok ga ik trouwens zelf ontwerpen en timmeren omdat ik me nu al waanzinnig verheug op het gevoel als het af is. Die vreugde die je overspoelt als je iets heb gemaakt, met je eigen handen, is ongeëvenaard. En het mooie is: het blijft. Althans een hele tijd. Dat weet ik van mijn vader. Niet dat hij het zei, maar je zag het aan hem.

Dan stond hij stil bij het product van zijn handvaardigheid – een schuurtje, een schutting – en zag dat het goed was. Elke dag weer. Tot hij er zelf genoeg van kreeg. Daar, buiten, kan ik in het verborgene leven, zonder televisie, want als ik verhuis, gaat die absoluut niet mee.

Paardenbloem

Wel twintig keer heb ik de foto’s bekeken van een betaalbaar, sfeervol huis in ‘s-Graveland met een ­ro­yale tuin rondom en ergens verscholen een prieeltje  waar ik gewoon zou kunnen zitten met gedachten die nooit verder komen dan de eerste aanzet en genieten van het groen rondom me, of een boek lezen.

Het huis dat ik dit keer op het oog heb, dateert van begin vorige eeuw, net als mijn ouderlijk huis; misschien dat het daarom zo vertrouwd aandoet. Onpretentieus is het. Niet zo’n protserig wit Dallas-ding met een vlakgeschoren gazon waar geen paardenbloem de kop zou durven opsteken.

Nee, dit huis oogt vriendelijk, gastvrij, is van buiten een tikje gedateerd, maar van binnen precies goed en groot genoeg. Het ligt tussen de buitenplaatsen Schoonoord en Trompenberg. Ook niet verkeerd.

De dag begint daar dan net als hier in de stad met een wandeling, maar wel vroeger, want, weet ook Vergilius: ‘Hoe soet is ‘t, ’s morgens, op het singen/ De voog’len, uyt het bedd’ te springen’. Ander verschil is dat ik niet ben aangewezen op het afgetrapte want zwaar overbelaste park, maar kan kiezen tussen de schaduwrijke bossen en de open weilanden. Ik houd van beide.

Er is altijd maar één oplossing voor mijn aanval van ‘landlevenlust’: de makelaar bellen, een afspraak maken, ontdekken dat het huis heel gehorig is en de buren een luid sprekende papegaai hebben.

Elsevier nummer 30, 25 juli 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.