cultuur

Waarom je nooit je man papa moet noemen

Door Marijke Hilhorst - 06 augustus 2015

Ga nooit met een groep naar een bijeenkomst waar wollen dekbedden worden verkocht.

Er wordt heel wat geschreven over ouderen in Nederland. Zaterdag nog stonden op een dubbele krantenpagina drie interviews met bejaarden, van wie één hoogbejaard. Ze vertelden dat ze nog best konden meekomen en waren tevreden met hun bestaan, al hadden ze veel moeten inleveren.

De man was gefotografeerd in zijn tuin, een van de vrouwen zat achter de naaimachine, de andere rustte achterover in een kunstlederen gemaksstoel.

Alle drie waren ze van mening dat genoeg genoeg was. Operaties onder narcose zouden ze niet meer laten verrichten, daarvan kon je zo verward raken, en  vervolgens blijven. Mocht het hart ermee ophouden, dan liever niet reanimeren. Het leven was mooi geweest, waarmee ze niet wilden zeggen dat ze naar de dood verlangden.

Dit keer waren de ouderen zelf aan het woord, dikwijls wordt er voor en over hen gesproken: dit moeten ze vooral doen, dat laten. Wel bewegen bijvoorbeeld en niet achter de geraniums gaan zitten.

Nu reken ik mezelf nog lang niet tot de ‘bejaarden’, hoewel ik bakken vol geraniums heb hangen die uitbundig vuurrood, donkerpaars en knalroze bloeien. En ja, ik zit wel eens, in de namiddagzon, op mijn balkon achter die geraniums. Juist daar, terwijl de hemel rood kleurde, nadenkend over mijn toekomst, begon ik aan een lijstje do’s en don’ts voor later.

Afritsbroek

Nooit ga ik lichtgrijze veterschoenen met witte zolen kopen. Of pantykniekousjes onder een jurk of rok dragen. Lekker makkelijk kort haar nemen omdat je daar na het wassen niets meer aan hoeft te doen. Vooral de opgeschoren nek bij vrouwen die dat wel hebben – en dat zijn er nogal wat – bezorgt mij kippevel.

Let op: er is een verschil tussen het ‘lekker makkelijke korte kapsel’ en een (ultra)korte coupe.

Een piratenbroek ga ik ook nooit aanschaffen. Voor wie die niet kent: het zijn broeken die te kort zijn, maar waarvan ze in de winkel zeggen dat het zo hoort. Dat het vlot staat. Ze liegen.

Ook de afritsbroek zal ik blijven vermijden. Net als Marlies Dekker-lingerie, met van die bh-bandjes die ze haar handelsmerk noemt en die om die reden zichtbaar moeten zijn. Ze zouden aangeven hoe sexy je nog bent.

Precies hetzelfde merk en type fiets berijden als mijn man en dan allebei gekleed in een uniseks trainings- of regenpak waarop de woorden ‘Human Nature’ staan. Nee. Ook erg is het als aan de bagagedrager, bij beiden, aan één zijde van de fiets een identieke tas hangt. Zo’n tas met van die haken.

Lollige tekst

Ik ga nooit naar een all-inclusive hotel. Noch met een groep in de bus naar een bijeenkomst waar Texelse schapenwollen dekbedden worden verkocht, of elektrische onderdekens.

Er zijn mensen die in de loop van het huwelijk hun man papa of vader gaan noemen en niet alleen als ze het tegen de kinderen over hem hebben, in de zin van: ‘Vraag papa of hij aan tafel komt’ maar: ‘Wat vind jij vader, zullen we bietjes eten vanavond met een haring erbij?’

Wat ik ook nooit ga doen: oversized T-shirts aanschaffen met gezellige teddybeertjes of een al dan niet lollige tekst erop, zoals Sweet Dreams, SSSSSsssst, ik slaap. Die laat ik ook als ik oud ben in de winkel hangen. Ze bezorgen me hangend in het rek al nachtmerries.

Als er dan toch Nordic gewalkt moet worden – bijvoorbeeld op doktersvoorschrift na een blessure of zo – dan ga ik het pittig doen. Met een stevige pas. Niets is zo droevig als slome Noorse lopers die hun stokken achter zich aan laten slepen en hun hoofd laten hangen.

Spaans

Ook bij gewoon lopen zal ik er attent op blijven dat de rug wordt gerecht, de borstjes naar voren kijken en mijn kruin als het ware naar de hemel wordt getrokken.

Ik ga wel Spaans leren en ook overweeg ik als ik oud ben, en dus niet meer hoef te sparen voor later, lang blond haar te nemen, mijn nagels elke dag Ferrarirood te lakken, die zijden broek met panterprint te kopen die ik in de Amsterdamse Leidsestraat bij Hugo Boss zag, daarbij zwarte gympen aan te trekken en in een Porsche te gaan rijden.

Ik heb mijn oog laten vallen op een 911S 2.2. De proefrit bewees dat het om een venijnige machine gaat. Vooral in de tunnels, waar het typische Porsche-gebrul opwindend weerkaatste tegen de wanden, huiverde ik van verrukking.

Elsevier nummer 33, 15 augustus 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.