cultuur

Hoeveel bloed moet er vloeien in een goede thriller?

Door Irene Start - 21 september 2015

Hoe gewelddadig moeten misdaadboeken zijn? Heel erg, vindt de Noorse rauwdouwer Jo Nesbø. Het mag best een onsje minder, zegt de Zweedse gentleman-schrijver David Lagercrantz. Twee auteurs uit de beste Scandinavische traditie over het gezicht van het kwaad.

‘Je moet duidelijk maken dat er iets op het spel staat’

‘Oslo is niet de stad zoals toeristen hem zien, hij is minder onschuldig dan mensen zouden verwachten. Ooit waren we hier wat geïsoleerd, maar sinds de jaren tachtig is Oslo een wereldstad, met bijbehorende problemen,’ zegt Jo Nesbø. Toevallig of niet, onder zijn raam in het centrum van de stad klinkt een sirene.

In recensies is Nesbø ‘de donkerste van alle Scandinavische schrijvers’ genoemd. Terecht, want als je op zijn boeken afgaat, is Oslo een oord van verderf waar criminaliteit bloeit, met dank aan een disfunctioneel politiekorps. De schrijver werkte tussen 1997 en 2013 aan een tiendelige serie rondom politieman Harry Hole, een hard boiled detective, geschoeid op Amerikaanse leest, die gebukt gaat onder hartzeer en de fles, maar gelukkig nog de misdaad heeft om hem af te leiden.

‘Volgens sommige politieagenten die mijn boeken lazen, is Harry niet realistisch en was hij al lang ontslagen als hij zich zo zou gedragen. Tegelijk zijn er de agenten die zeggen: “Ja, we hebben wel een paar Harry’s in ons korps.” Ik zie hem als een klassieke tragedie-held. Aan het einde zal hij de juiste keuzes maken. Hij is een goed mens.’

Terwijl seksscènes meestal beperkt blijven tot een kuis kusje of de mededeling dat ‘het’ is gedaan, beschrijft Nesbø geweld voluit. Neem de eerste pagina’s van Het pantserhart (2001), waarin een vrouw is vastgebonden met een metalen bal in haar mond gepropt. Naalden van 7 centimeter schieten uit de bal, ze verdrinkt in haar eigen bloed.

‘Het klopt dat ik expliciet ben. In een verhaal moet je het monster beschrijven. Je moet duidelijk maken dat er iets op het spel staat. Ik beschrijf geweld niet in detail uit effectbejag. En ook niet uitgebreider dan noodzakelijk. Sommige boeken hebben scènes die zo gruwelijk zijn dat ik er achteraf spijt van heb. Niet zozeer van de openingsscène van Het pantserhart; die is functioneel voor dat verhaal, maar een aantal andere. Ik ga dat niet corrigeren in een nieuwe druk. Ik kom namelijk nooit terug op iets wat ik eerder heb beschreven.’

Ook in het nieuwe Bloed op sneeuw (Cargo) – met 186 pagina’s een dunnetje voor Nesbø’s doen – sterven mensen bij bosjes. Centraal staat Olav, wederom een jongen uit Oslo’s onderklasse. ‘Hij is misschien niet boekenslim, want hij heeft nauwelijks een opleiding gehad. Maar hij is wel intelligent. Precies dat maakt hem zo interessant.’

Verrassend gezien zijn rauwe getto-stijl is Nesbø onlangs door een Britse uitgever gevraagd om zich te laten inspireren door een stuk van William Shakespeare, ter ere van diens 400ste sterfdag in 2016. Er komt een reeks door verschillende auteurs, Nesbø is er trots op dat juist hij als niet-Brit Macbeth heeft binnengehaald. ‘Dat is mijn favoriete stuk vanwege de machtsstrijd.’

Hij kiest voor een andere setting: ‘Een politiekorps in de jaren zeventig, in een anonieme stad. Dat kan Oslo zijn, Glasgow, of misschien zelfs Amsterdam. Akelige, bloederige momenten zullen er zeker zijn.’

‘Het liefst heb ik dat er helemaal geen bloed vloeit’

Zijn eerste misdaadboeken waren niet al te best, zegt David Lagercrantz. Het was in de tijd van de Scandinavische thrillerhausse met auteurs als Henning Mankell, Lars Kepler en Håkan Nesser dat zijn uitgever hem  om een spannend boek vroeg.

‘Maar ik was er niet klaar voor, had zelfs nog nooit een thriller gelezen. Mijn opvoeding was vrij snobistisch, mijn vader was intellectueel en literair criticus. Als twintiger liep ik rond met een boek van Albert Camus op zak en een Gauloise-sigaret in mijn mond. Alles om er interessant uit te zien, je kent het type.’

Lagercrantz kreeg zijn revanche toen hij het vierde deel mocht schrijven in de Millennium-reeks. Bij verschijnen van het boek waren de reacties niet mals: ‘Ik werd gegrild als een politicus. Er zijn vreselijke dingen gezegd: ik zou een grafschenner zijn, niet goed omgaan met het erfgoed van Stieg Larsson. Het ergste vonden ze dat ik uit een andere sociale klasse kwam, de adellijke Lagercrantzen, terwijl Larsson opkwam voor verdrukten. Twee uur na verschijnen plaatste het grootste Zweedse dagblad een afbrandrecensie. Ik dacht: jongens, ik wil gewoon het beste boek schrijven!’

Het meest dwars zat hem de boosheid van Larssons weduwe. ‘Ik vind het jammer dat we geen overeenkomst hebben bereikt over dit boek. Ik ben zorgvuldig omgegaan met het universum dat Larsson heeft gebouwd. En door mijn boek worden de eerste drie delen van de reeks gelezen door een nieuwe generatie.’ Hij liet de hoofdpersonages – hacker Lisbeth Salander en journalist Mikael Blomkvist – met rust.

‘De lezer moet zich blijven thuisvoelen, ik kon Lisbeth niet ineens opzadelen met drie kinderen. Ik wist wel dat ik niet mijn meest literaire stijl moest gebruiken, vaart en perspectiefwisselingen zijn hier belangrijker.’

Het geweld in dit vierde deel is ingetogen en bijna clean: met een paar pis­toolschoten heb je het wel gehad. ‘Er wordt wel een jongen gemarteld, maar ik beschrijf niet hoe. Het liefst heb ik dat er helemaal geen bloed vloeit. We leven in een treurige wereld, waar al ontzettend veel geweld is. Ik kan daar eerlijk gezegd niet tegen. Ook niet in boeken, al dat rondspattend bloed en die afgehakte ledematen. Het genre heeft een grens overschreden. Het is toch veel spannender als je het niet zo uitschrijft? Kijk naar kinderen: als het donker is en er dreigt gevaar, is het eng.’

Inmiddels is Wat ons niet zal doden een maand oud. In Zweden is de wind ten goede gekeerd, zeker nadat Lee Child voor The New York Times het boek las en zag dat het goed was.

‘Nadat in het buitenland positieve recensies verschenen, veranderde de sfeer. We hebben in Zweden een antibestsellerlijst, met daarop alleen verantwoorde ­poëzie en romans. En daarop stond mijn boek ineens. Eerst was ik slecht, nu ben ik geliefd. Raad eens wie er in een tijd van vluchtelingencrisis op de voorpagina’s stond? Ik! Verschrikkelijk, mijn hoofd bonkt. Gelukkig ben ik 53 jaar; als jonge schrijver had ik deze emotionele achtbaan niet aangekund.’

Elsevier nummer 39, 26 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.