cultuur

Louis Couperus, de meester van het tijdrekken

Door Thomas van den Bergh - 22 september 2015

Twee van de bekendste romans van Louis Couperus zijn als toneelstuk te bewonderen. Maar leent zijn trage werk zich wel voor het toneel?

In 1918 schreef Louis Couperus aan de criticus G.H. ‘s-Grave­sande: ‘Schrijf nooit voor het toneel, want het is afschuwelijk om de onverschilligheid te voelen van het publiek voor een vrouw waarvan je zoo gehouden hebt.’

Daags tevoren was er gehakt gemaakt van de toneelbewerking die Couperus’ echtgenote, Elizabeth Couperus, van zijn succesroman Eline Vere had gemaakt. Over de titelheldin had de Haagse dandy-schrijver beweerd: ‘Eline Vere, dat ben ikzelf,’ in navolging van Flauberts uitspraak: ‘Emma Bovary, c’est moi.’ Nu werd zijn geliefde Eline bespot, omdat ze een eigentijds rokje had aangetrokken. ‘Eline Vere in de korte kleren,’ kopte een krant gevat.

Louis Couperus (1863-1923) geldt als een van de belangrijkste Nederlandse romanschrijvers van de moderne tijd. Iedere literatuurliefhebber doorloopt vroeg of laat een ‘Couperus-periode’. Zijn breed opgezette werk, met waarachtige, herkenbare personages, complexe relaties en families met geheimen, heeft een verslavende werking.

Bij een auteur van dergelijke statuur komt onherroepelijk het moment dat zijn werk naar het toneel wordt vertaald. In het geval van Couperus gebeurde dat al bij leven, toen Eline Vere en Noodlot op de planken werden gebracht. Veel succes hadden deze vroege adaptaties niet. Een van de eerste bewerkers, Gerrit Jäger, kreeg er zelfs zo van langs dat hij enige jaren later zelfmoord pleegde.

Volgens de database van het Theaterinstituut is Couperus’ werk tientallen malen vertrekpunt geweest voor een theaterbewerking. In de jaren zeventig en tachtig zat hij duidelijk in een dip bij toneelmakers. Het was de periode na de geruchtmakende Aktie Tomaat, waarbij leerlingen van de Toneelschool uit protest tegen elitair theater acteurs met tomaten bekogelden. Alles moest anders, Couperus was opeens ouderwets.

Dat is sinds de jaren negentig wel anders. Met name regisseur Ger Thijs zorgde voor een doorbraak met zijn toneelversie van De boeken der kleine zielen in 1993. Deze tweedelige toneelhappening werd een publiekssucces en luidde een Couperus-revival in. Vooral Thijs zelf waagde zich daarna aan diverse bewerkingen en regies.

Thijs heeft zichzelf in interviews ‘een verwante ziel’ van Couperus genoemd. Hij roemt het toneelmatige van Couperus’ romans. ‘Zijn beste boeken zijn toneeldrama’s in romanvorm,’ zei hij in 2012, waarbij hij De boeken der kleine zielen vergeleek met een soap-opera.

‘Als Couperus niet meer weet hoe hij verder moet, laat hij iemand doodgaan, zoals Dickens dat deed. Het is niet voor niets dat musicals hun gegevens vaak halen uit negentiende-eeuwse boeken.’ Het is een feit dat zowel Charles Dickens als Couperus zijn romans vaak in serie voorpubliceerde in kranten of tijdschriften. Dat bepaalde mede hun vorm, die overeenkomsten vertoont met soaps, met veel spanningsboogjes en cliffhangers.

Onverzoenbaar

Intussen is Couperus niet meer weg te denken uit het theater. Toneelgroep Amsterdam maakte vorig jaar bekend met een Couperus-drieluik te komen, onder regie van Ivo van Hove. Het eerste deel ging vorige week tijdens de Ruhrtriënnale in Duitsland in première: De stille kracht, in een bewerking van Peter van Kraaij. Van Hove wil Couperus vooral tonen als een eigentijds schrijver, ‘een tijdgenoot’ zelfs.

De stille kracht, zo verklaarde Van Hove vooraf, gaat voor hem in de eerste plaats om de gespannen verhouding tussen twee culturen die onverzoenbaar tegenover elkaar staan. In die opzet is hij geslaagd. Voor een aandachtig Duits publiek werd alles uit de kast gehaald om een ‘Indische’ sfeer te creëren.

Met videobeelden van Indië, geprojecteerd op reuzenschermen langs de drie zijden van het speelvlak. Met een suggestief oosters klankdecor, opgewekt door multi-instrumentalist Harry de Wit met zijn gamelans, trommels en gongs. En dan ruist er tijdens driekwart van de voorstelling een tropisch regengordijn over de acteurs, van een fijn motregentje tot een kolkende watermassa.

Met een typisch Hollandse koppigheid blijft resident Otto van Oudijck, een mooie rol van Gijs Scholten van Aschat, zijn papieren ordenen en notities maken, te midden van dat exotische natuurgeweld. Het treffendst wordt de kloof tussen inlanders en Hollanders verbeeld door een klassieke vleugel, die midden in de regenbui staat opgesteld. Gaandeweg de voorstelling raakt die meer en meer ontstemd, tot hij ten slotte totaal onbespeelbaar is.

Dat de voorstelling als geheel toch niet optimaal recht doet aan Couperus’ roman, heeft te maken met de taal. Wie toneel maakt van een roman, moet zich in de eerste plaats richten op de dialogen. Bij Couperus zijn die, conform de wetten van het naturalisme, mees­tal heel alledaags. Zijn stilistische brille zit ‘m vooral in de beschrijvingen – van de overdonderde natuur bijvoorbeeld, of van de beangstigende mystiek die onder het alledaagse Indische leven schuilgaat.

Die brille gaat hopeloos verloren in deze voorstelling, die soms bijna iets banaals krijgt, bijvoorbeeld in het subplot over Van Oudijcks bastaardzoon.

Voor Couperus-bewerkers schuilt hierin een serieus probleem. Hoe de taal van Couperus recht te doen, zonder te vervallen in statisch verteltheater? Voor zijn eerste Couperus-regie van Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan bij Het Nationale Toneel kon Ger Thijs een megacast van achttien acteurs engageren. De bewerking was toen van Willem Jan Otten, die de archaïsmen van Couperus grotendeels had behouden. De kritiek was niet mals.

Toen Thijs negen jaar later zelf een bewerking maakte, stofte hij Couperus grondig af. Hij balde de handeling samen en creëerde daarmee een sterkere eenheid. Het aantal personages werd teruggebracht tot negen. Innerlijke monologen en gedachten bouwde hij om tot dialogen.

Opnieuw waren critici maar matig tevreden: ja, het was een vlotte, levendige voorstelling geworden, maar de ‘eigenheid’ van Couperus, aldus NRC Handelsblad, was verdwenen.

Wat is dan die eigenheid van Couperus? Die schuilt voor een belangrijk deel in een subtiele weemoed, die tussen de regels kiert. Weemoed over het verloren paradijs van Ons Indië, over verloren rijkdom en verloren aanzien. Couperus’ personages zuchten vaak onder aanvallen van melancholie.

In een snel en dynamisch toneelstuk raakt de melancholie op de achtergrond. Dat bedoelde schrijver Bart Chabot toen hij eerder dit jaar in het Couperus-fanzine Arabesken zei: ‘Couperus was een meester in het tijdrekken. Er zijn schrijvers die de kunst van het weglaten beheersen, maar Couperus maakte meters.’

Komend weekeinde zet Ger Thijs zijn reeks Couperus-bewerkingen voort met een toneelversie van Eline Vere. Het zal interessant zijn te zien wat hij daarvan maakt. Eline Vere is bij uitstek een boek waar het drama niet in de dialogen zit, maar in de innerlijke monologen van de hoofdpersoon.

Laat je haar in weemoed gedrenkte gedachten weg en reduceer je de roman tot een reeks kekke scènes, dan haal je het wezen van Couperus uit de voorstelling. Eline, dat was Couperus immers zelf.

Elsevier nummer 39, 26 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.