cultuur

Ook kleine voorvallen kunnen oorzaak zijn van vrouwenverdriet

Door Marijke Hilhorst - 03 september 2015

In Een dwaze maagd, de in 2014 herontdekte en bejubelde roman van Ida Simons, beweert madame Otte: ‘Niets werkt zo goed tegen vrouwenverdriet als boenen of koper poetsen.’

Dat zij dat eind jaren vijftig schreef, verklaart het koper poetsen – in die tijd hadden mensen nog veel koperen sier- en gebruiksvoorwerpen. Mijn moeder was zo iemand. Ze was trots op haar koperen spullen en vooral als die zo glommen dat je jezelf erin kon spiegelen. Dus moesten wij haar geregeld helpen met poetsen, ook als we niet leden aan vrouwenverdriet.

Het was overigens niet mijn favoriete huishoudelijke taakje, om het zacht uit te drukken. Ik had er een gruwelijke hekel aan omdat je er vieze handen van kreeg, maar meer nog omdat het voor koper geëigende poetsmiddel vreselijk stonk. In Brasso zit ammoniak.

Dit alles neemt niet weg dat ik het helemaal eens ben met de uitspraak van madame Otte, hoewel ik het wat breder zou willen trekken. Er valt meer weg te boenen dan vrouwenverdriet.

Vrouwenverdriet

Eerst maar eens een definitie: wat te verstaan onder vrouwenverdriet? De Dikke Van Dale kent het niet en we kunnen niet volstaan met te zeggen: de simpele combinatie van de twee delen waaruit het woord bestaat, vrouw en verdriet.

Neem de veelvuldig geciteerde eerste strofe van het gedicht Sotto Voce van M. Vasalis: ‘Zoveel soorten van verdriet/ ik noem ze niet./ Maar één, het afstand doen en scheiden. / En niet het snijden doet zo’n pijn,/ maar het afgesneden zijn.’ Het is geschreven naar aanleiding van de dood van een van haar kinderen, en niemand zou in een dergelijk geval zeggen: stort jij je maar eens op het gasfornuis en de ramen.

Zoeken op internet leverde een even aardig als verrassend resultaat op, dat me toch een eind op weg helpt. Er blijkt in Nederland een plaatsje te bestaan dat Vrouwenverdriet heet. Of preciezer gezegd, het is de naam van een buurtschap, niet ver van de watertoren, in de voormalige zelfstandige Zaanse gemeente Assendelft.

De naam zou zijn ontleend aan een herberg die daar rond 1630 heeft gestaan en waar de gravers van de Nauernasche Vaart – het water waaraan de buurtschap is gelegen – hun loon verdronken.

Kijk: nou komen we ergens. Zulke verhalen ken ik. Maar dan uit de twintigste eeuw. Van mijn Brabantse grootmoeder weet ik dat zij als het even kon, naar café Het Haasje in Lith aan de Maas ging om daar haar man op te wachten, toen die een periode als binnenschippersknecht werkte, als hij daar kreeg uitbetaald.

En ze was niet de enige vrouw die strijdvaardig met de armen over elkaar voor de deur van het etablissement stond te wachten om de echtgenoot en vader van vaak een flink aantal kinderen zo snel mogelijk mee naar huis te nemen.

Wie niet weg kon of te laat kwam, restte dikwijls niets anders dan te constateren dat het huishoudgeld erdoorheen was gejaagd. Want bij één borreltje om te vieren dat ze weer veilig aan wal waren, bleef het meestal niet.

Verwaarlozing

Vrouwenverdriet is, kortom verdriet van vrouwen veroorzaakt door mannen. Dan kan het gaan om geld, zoals hierboven beschreven, maar het kan ook de liefde betreffen. Vriendje zegt dat ze maar eens een time-out moeten nemen, of hij maakt het gewoon radicaal uit, vrouw ontdekt dat man er een ander op na houdt.

Maar ook kleinere voorvallen van huiselijke botheid en verwaarlozing kunnen veroorzaker zijn van vrouwenverdriet en tranen opwekken, zoals verjaardag vergeten, rotopmerking over nieuw kapsel of helemaal niet zien dat er iets is veranderd, of een te doorzichtige smoes gebruiken om te laten weten niet thuis te komen eten.

Ik heb veel geleerd van mijn oude heldin Sophie Tucker, die met haar donkere stem zong: ‘If you can’t keep him with your kisses, your tears won’t bring him back.’ (Als je hem met je kussen niet bij je kunt houden, zullen je tranen hem niet terugbrengen.)

Maar het heeft lang geduurd voor de waarheid van haar uitspraak tot me doordrong, en tot die tijd leed ik geregeld aan vrouwenverdriet, vergoot ik tranen, en gelukkig was er soms een madame Otte die me aan het werk zette, wat uiteindelijk veel beter bleek te helpen dan praten.

In mijn poesiealbum staat ergens als opvullertje van een bladzijde: ‘Veel heil met de dweil.’ Klopt als een bus: het boenen verzette de zinnen en ik hield er een heerlijk schoon huis aan over.

Elsevier nummer 37, 12 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.