cultuur

1977- Willem Frederik Hermans: Tegendraads schrijver

Door Irene Start - 12 oktober 2015

Enfant terrible van de Nederlandse letteren. Op 56-jarige leeftijd accepteerde hij in dit jaar de Prijs der Nederlandse Letteren – zes jaar nadat Hermans de P.C. Hooftprijs had geweigerd.

‘Tot mijn laatste snik zal herrie mij begeleiden, hoe gevierd en erkend ik ook zal zijn.’ Dat schreef Willem Frederik Hermans (1921-1995) in een niet verstuurde brief in 1973. Een zeldzaam moment van inzicht, voor een man met een ‘terroristische reputatie’, zoals hij wel is omschreven. Hij was iemand die altijd gelijk wilde hebben, zonder veel interesse in de waarheid.

1977 was een stressvol jaar voor de toen in Parijs wonende Hermans. Hij ging gebukt onder depressies. Samen met Gerard Reve (1923-2006) en Harry Mulisch (1937-2010) werd hij nog altijd gerekend tot ‘de Grote Drie’, de belangrijkste naoorlogse auteurs, maar dit jaar had hij zijn hoofdwerken eigenlijk al achter zich: Ik heb altijd gelijk (1951), De donkere kamer van Damokles (1958), Nooit meer slapen (1966) en Onder professoren (1975).

Herman had Nederland een paar jaar eerder verbitterd de rug toegekeerd. Zijn lectoraat fysische geografie in Groningen was in 1973 in een catastrofe geëindigd. Zijn villa in Haren verruilden hij en zijn vrouw Emmy voor een appartement in Parijs.

1977 was ook een jaar van financiële bezorgdheid. Volgens biograaf Willem Otterspeer niet echt gegrond; alleen al van uitgeverij De Bezige Bij ontving de schrijver aan royalty’s jaarlijks 120.000 gulden. En dan waren er nog zijn aandelen – al bezorgden beursfluctuaties hem hartverzakkingen.

De toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren kwam volgens Otterspeer ‘als een geschenk uit de hemel’. Vanwege de eer en het prijzengeld (18.000 gulden), maar ook zeker omdat de prijs werd uitgereikt door de Belgische koning. In zijn dankwoord stak Hermans de loftrompet over België, waar hij in 1991 zou gaan wonen.

Hoe anders was de sfeer rondom die andere prestigieuze prijs, de P.C. Hooftprijs. In 1959 had Hermans hem al bijna gekregen op basis van ‘meesterwerk’ De donkere kamer van Damokles – ware het niet dat één jurylid de roman ‘te kil’ vond. Toen de P.C. Hooftprijs in 1971 wél aan Hermans werd toegekend, werd door een typefout in de ministeriële brief gerept over een prijzengeld van 18.000 in plaats van 8.000 gulden. In een antwoord aan minister Piet Engels (KVP), schreef Hermans waarom hij de prijs weigerde: ‘Men kan nauwelijks verwachten dat een schrijver zich bijzonder vereerd zal voelen wanneer hij bekroond wordt door een minister wiens handtekening van de ene dag op de andere fl 10.000 in waarde daalt.’

Tussen Nederland en Hermans zou het nooit meer echt goed komen; zijn status van enfant terrible bevestigde de schrijver door naar Zuid-Afrika te reizen in een tijd dat een boycot tegen het land was afgekondigd vanwege het apartheidsregime. De ontvangst van Hermans’ werk werd milder, maar hij zou ook nooit meer zo scherp schrijven als in zijn vroege romans.

De jury had in 1977 overigens geprobeerd zijn reputatie te redden: in het rapport werd expliciet vermeld dat het harteloze imago van Hermans volstrekt ten onrechte was: ‘Men zou veeleer moeten spreken van maximaal toelaatbare humaniteit.’

Elsevier nummer 43, 24 oktober 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.