cultuur

Imago is ‘niet zo best’, maar Taalunie houdt de moed erin

Door Gerry van der List - 06 oktober 2015

De Taalunie krijgt veel kritiek. Algemeen secretaris Geert Joris toont zich strijdbaar, onder andere met een Week van het Nederlands.

Geert Joris is zichtbaar blij dat hij over iets leuks kan praten. Enthousiast vertelt de algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie over de eerste Week van het Nederlands. Meer dan tachtig organisaties doen mee aan de evenementen die van 10 tot en met 17 oktober het belang van het Nederlands onder de aandacht moeten brengen.

Gekoppeld aan de Week is de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren. Schrijver Remco Campert krijgt de driejaarlijkse onderscheiding uit handen van koning Filip van België. Gelukkig is er dit keer geen relletje zoals acht jaar geleden toen Jeroen Brouwers de prijs weigerde omdat hij het bijbehorende bedrag van 16.000 euro een aanfluiting vond.

Nu mag Campert 40.000 euro incasseren. ‘Maar het gaat niet om het geld,’ zegt Joris. ‘Het is een symbolisch bedrag. Je kunt de enorme betekenis van het fenomeen Campert niet in euro’s uitdrukken. Wij willen graag een memorabel moment voor hem creëren uit waardering voor een prachtig oeuvre.’

Brouwers nam in 2007 de gelegenheid te baat om fel van leer te trekken tegen de Taalunie, die wat hem betreft beter kon worden opgedoekt. Dit heeft vast iets te maken met de polemische aard van de schrijver, een notoire zeurpiet. Maar Brouwers staat niet alleen. Er is altijd gesteun en geklaag geweest van schrijvers en taalkundigen over de Taalunie.

Boos en verontwaardigd spraken zij over in zichzelf gekeerde Haagse bureaucraten die te weinig voeling met de samenleving zouden hebben. De taalgeleerde Marc van Oostendorp is zelfs met een soort kruistocht bezig. Hij riep op de Week van het Nederlands te boycotten.

Relevantie

Joris hoort de klachten op zijn kantoor in Den Haag aan.

‘Ons imago is inderdaad niet zo heel best. Dat dateert al van lang voor mijn tijd. Ik ben benoemd om daar verandering in te brengen. Ik ben hier niet toevallig als een vreemd object komen binnenwaaien. Het is mijn ambitie om, met alle medewerkers, de maatschappelijke relevantie en slagvaardigheid van de Taalunie te vergroten en de communicatie te verbeteren.

‘Ik heb er geen probleem mee dat critici mij een managerstype noemen. Een manager op deze plek is niet per se slecht. Ik ben geen taalgeleerde, geen inhoudelijk deskundige. Ik ben een specialist in het generalist zijn, zeg ik weleens. En ik heb ervaring in het managen van organisaties.’

De Vlaming Joris trad op 1 januari 2013 aan als algemeen secretaris. Hij liet toen weten dat de Taalunie ‘meer smoel’ diende te krijgen en wel wat sexyer mocht worden. Zelf trad hij bewust weinig in de openbaarheid. ‘Het gaat niet om mij. Ik heb mijn handen bovendien vol met het intern op zijn plaats zetten van de meubelen,’ verklaart hij.

Het zijn vooral innovaties als de Week van het Nederlands die duidelijk moeten maken dat het Nederlands, als moedertaal van 23 miljoen mensen, een levendige en aantrekkelijke taal is. ‘Het rendement van zo’n week valt niet in cijfers uit te drukken. Maar er is zeker een maatschappelijke meerwaarde. Daardoor begrijpt de belasting­betaler beter waarom wij geld uit Den Haag en Brussel krijgen.’

Het oogsten van applaus is er voor de secretaris niet makkelijker op geworden door de door de politiek opgelegde bezuinigingen. In 2012 kreeg de Taalunie van de overheden jaarlijks meer dan 12 miljoen euro, nu is dat nog een kleine 10 miljoen.

Het aantal medewerkers liep terug van 45 naar 32. De noodzakelijke besparingen werden mede gevonden in het schrappen van uitgaven voor het onderwijs in het Nederlands in het buitenland. Zo is het Erasmus Taalcentrum in de Indonesische hoofdstad Jakarta verzelfstandigd, en werd er gesnoeid in de zomercursussen voor buitenlandse taalstudenten en de salaristoeslagen voor docenten Nederlandse taal in Oost-Europa.

Wrang

De opwinding over deze maat­regelen was groot. Op 30 april dit jaar luidden tachtig academici in een opiniestuk in NRC Handelsblad de noodklok. Zij betoogden dat de Week van het Nederlands een wel erg wrange feestweek dreigt te worden als de Taalunie niet meer wil investeren in het onderwijs in het Nederlands.

Een deel van de onvrede had te maken met het ontbreken van overleg. De gepresenteerde bezuinigingen kwamen als een onaangename verrassing voor de belangrijkste belangenorganisatie, de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, die al langer een moeizame verhouding onderhoudt met de Taalunie.

Joris heeft inmiddels publiekelijk zijn excuses aangeboden omdat er onnodig onrust is gewekt. ‘Het is niet goed gegaan. We hebben in de haast beslissingen te nemen te weinig tijd genomen voor goede communicatie. Dat is pijnlijk voor een organisatie die juist wil verbinden. Wat onverlet laat dat wij door de opgelegde bezuinigingen extra worden gedwongen heldere keuzes te maken. En het overeind houden van eigen taalinstituten hoort niet tot onze kerntaken. Ook niet als het om Indonesië gaat.’

Hoofddoel

Ondanks dergelijke incidenten houdt Joris goede moed in zijn streven naar het bedrijfsmatiger en zichtbaarder laten opereren van zijn organisatie. Het hoofddoel blijft daarbij het versterken van het Nederlands.

‘Het is niet zo dat wij ons als de hoeder van de taal beschouwen. Dat zou te pretentieus klinken. Wij fungeren meer als een soort hefboom. We stimuleren anderen op allerlei niveaus. Zoals met de Week van het Nederlands.’

Het Nederlands staat niet echt onder druk, meent Joris. ‘Maar we moeten ervoor zorgen dat het zijn positie behoudt in een meertalige omgeving. Er is nu een sterke inzet op het Engels. Wat begrijpelijk is, gezien de globalisering. Maar dat mag niet ten koste gaan van de taalvaardigheid in het Nederlands. Met colleges in steenkolen-­Engels is niemand gebaat.’

Elsevier nummer 41, 10 oktober 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.