cultuur

Wat was de magie van de Catalaanse kunstenaar Joan Miró?

Door Riki Simons - 13 oktober 2015

Expositie in Amstelveen roept de sfeer op die Joan Miró en CoBrA-artiesten inspireerde.

Het middelpunt van de expositie Miró & CoBrA is een gereconstrueerd stukje 1951: een museumzaal in Luik, tijdens de (laatste) CoBrA-groepstentoonstelling aldaar. In dat zaaltje hingen onder meer zes werken van Karel Appel, maar ook twee van Joan Miró. Eén hiervan, Femmes, lunes, oiseaux, kwam uit de collectie van architect Aldo van Eyck, waar de CoBrA-kunstenaars het van kenden.

Joan Miró (1893-1983) was een Catalaan, geen CoBrA-kunstenaar, en bijna dertig jaar ouder dan Appel. Zijn bijna abstracte experimentele werk, met snel neergezette schriftachtige tekens, en een expressieve eigen symbolentaal, was toen al wereldberoemd. Vrij over het doek zwevend, met heldere kleuren en losse grafische lijnen is zijn werk eleganter, zwieriger, doelbewuster, minder grof en rauw dan dat van Appel en de andere opkomende CoBrA-kunstenaars. Maar de bewondering van de jonge schilders voor Miró’s spontane stijl, en het gevoel van geestverwantschap, was er niet minder om.

CoBrA bestond als groep maar van 1948 tot 1951, maar ont­ketende in deze korte periode in Nederland, België en Denemarken een kleine schildersrevolutie. Joan Miró zelf hebben de CoBrA­kunstenaars nooit ontmoet. De enige uitzondering was de Belg Pierre Alechinsky, die met Miró bevriend was.

Bij de expositie in het Cobra Museum in Amstelveen die deze band tussen CoBrA en Miró laat zien, wordt Miró’s Femmes, lunes, oiseaux op de wand geprojecteerd. Het origineel is onlangs geveild voor omgerekend meer dan 17,5 miljoen euro, en verdween naar het Midden-Oosten. Miró’s beste werken zitten bijna allemaal in grote museumcollecties. Alleen musea als Tate Modern in Londen kunnen, zoals in 2011, nog een écht groot overzicht maken met zijn beste werk, met belangrijke bruiklenen uit andere musea.

Boekhouder

Een museum als dat in Amstelveen moet andere wegen bewandelen. Miró & CoBrA is vooral gemaakt met de steun van de kleinzoon van de schilder, Joan Punyet Miró, en de twee stichtingen die Miró en zijn erfgenamen oprichtten. Meer dan de helft van het getoonde werk komt uit de Fundació Joan Miró in Barcelona, Fundació Pilar i Joan Miró a Mallorca, en Punyets privécollectie.

Joan Miró werd in 1893 geboren in Barcelona. Na twee jaar te hebben gewerkt als boekhouder en na een flinke depressie, ging hij schilderen. Net als Pablo Picasso twee decennia vóór hem vertrok hij in 1920 naar de internationale avant-gardestad Parijs. Daar verwerkte hij de invloeden van fauvisme en kubisme. Hij zocht zijn beruchte landgenoot op en ze werden vrienden voor het leven.

In Parijs zocht Miró naar eigentijdse én eigen manieren om het Spanje te schilderen dat hij had verlaten. Het landschap en de natuur van Catalonië, de beesten, de kleuren, de felle contrasten, het licht. Hij raakte bevriend met de schrijvers van het surrealisme. En bevrijdde, vrij-associatief tekenend en schilderend, al zijn onderwerpen van de zwaartekracht, in mysterieuze ruimtes met vreemde losse elementen en een gloeiend licht. De kleurencombinatie rood-zwart werd bijna zijn eigen beeldmerk.

In de jaren twintig, dertig en veertig werkte Miró achtereenvolgens in Parijs, in Spanje, en weer in Parijs. In 1939, na de Spaanse Burgeroorlog, vertrok hij voorgoed naar Mallorca. In zijn beperkte beeldtaal maakte hij schitterende werken in allerlei formaten. Met een rijkdom aan expressie, die ook de zwaarmoedige sfeer van crisistijd en oorlog weerspiegelt. Vanaf de jaren dertig maakte hij, net als Picasso, van gevonden materiaal briljante sculpturen.

Tegen de tijd dat CoBrA hem ontdekte, had Miró al decennia geëxperimenteerd met allerlei mate­rialen, en had hij – behalve schilderijen en sculpturen – boeken, grafiek en wandkleden gemaakt. In de jaren vijftig, zestig en zeventig breidde hij dit oeuvre verder uit met monumentale werken, vaak in opdracht: vooral sculpturen; verder mozaïeken, afgewisseld met grote doeken.

De verwantschap tussen Miró en CoBrA blijkt in Amstelveen goed herkenbaar. Zoals in de belangstelling voor het vrije en spontane; voor de directe expressiviteit van kindertekeningen; voor het experiment op alle mogelijke creatieve terreinen. Ook Miró’s invloed op CoBrA’s vroege werk is in deze expositie goed na te voelen.

Het prachtige woonhuis en atelier dat Miró na zijn dood op Mallorca achterliet, was in 1956 gebouwd door zijn vriend de architect Lluís Sert. Miró noemde het ‘grandioos’, en kon hier voor het eerst al zijn nog opgeslagen werken uitpakken; hij verbrandde er meteen een groot deel van. De ruimte veranderde zijn werk. Zijn gebaren, lijnen en vormen op doek worden grootser; de for­maten groter; de onderwerpen nog abstracter; de uitvoering minimaler; de sculpturen monumentaler.

Nadat Miró zelf in 1976 een groot aantal werken had geschonken aan zijn nieuwe Fundació Joan Miró in Barcelona, bleven na zijn dood nog 2.000 werken achter op Mallorca. Een deel van zijn atelier daar is nu tijdelijk overgebracht naar Amstelveen, compleet met verftubes, doeken en penselen; samen met zeven net aangezette, niet voltooide doeken.

Van Miró’s vroegere oeuvre is in deze tentoonstelling weinig te zien; dat beperkt zich tot kleine experimenten, die in zijn eigen collectie achterbleven. Aangevuld met een paar topwerken, zoals Paysage uit 1927 uit de collectie van Guggenheim Museum in New York en Personnage et oiseau dans la nuit uit 1945 uit Museo Reina Sofía uit Madrid.

Van de CoBrA-kunstenaars zien we verrassend mooie ‘jeugdwerken’ uit de drie kernjaren. Pierre Alechinsky, de enige nog levende CoBrA-kunstenaar, leende werken uit zijn eigen collectie. Maar de belangrijkste verworvenheid van Miró & CoBrA is dat het die internationale sfeer weet op te roepen van vrij in de lucht zwevende creatieve ideeën, waarvan niemand precies weet waar ze vandaan komen.

Elsevier nummer 42, 17 oktober 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.