Gerry van der List

Conservatieven en liberalen hebben in Sigmund Freud een bondgenoot

Door Gerry van der List - 04 januari 2013

Dat psychologie een heerlijk vak kan zijn voor fantasievolle figuren zonder wetenschappelijke scrupules, was al lang bekend voordat Diederik Stapel werd ontmaskerd. Zo koppelde de vader van de psychoanalyse, Sigmund Freud (1856-1939), een rijke verbeelding aan een geringe belangstelling voor zorgvuldige toetsing van zijn wilde speculaties.

De spraakmakende theorieën van Freud bieden voor elk menselijk gedrag een verklaring. Dit lijkt mooi, maar is het niet. Een wetenschappelijke theorie behoort weerlegbaar te zijn, betoogde de strenge filosoof Karl Popper, er moeten feiten denkbaar zijn waardoor zij eventueel verworpen of bijgesteld zou moeten worden. Zo blijkt de stelling dat alle zwanen wit zijn, onjuist als een zwarte zwaan wordt gesignaleerd.

Maar Freud presenteerde helaas niet zulke heldere, weerlegbare stellingen, klaagde Popper. Het gedrag van iemand die een voorbijganger in het water duwt, kan met dezelfde freudiaanse inzichten worden verklaard als de handelwijze van iemand die in het water duikt om de drenkeling te redden. Daardoor wordt zo’n theorie nietszeggend en levert zij geen bijdrage tot de groei van kennis.

Kwakzalver

Poppers harde oordeel over Freud heeft in de loop der tijd steeds meer bijval gekregen. Niet zelden wordt de psychoanalyticus nu neergezet als een ‘Viennese quack’, zoals de Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Nabokov hem steevast noemde, een Weense kwakzalver.

Maar hun speculatieve, onwetenschappelijke karakter maakt de geschriften van Freud nog niet geheel waardeloos. De auteur beschikte, anders dan veel navolgers, het vermogen zijn gedachten op een boeiende, pakkende wijze onder woorden te brengen en zijn vondsten werkten intellectueel vaak inspirerend. Bovendien – en daar gaat het hier om – had hij een nuchtere kijk op de menselijke natuur, een realisme dat een heilzame remedie vormde tegen politieke illusies over een verregaande maakbaarheid van de samenleving.

Conservatief

De studies over de relatie tussen psychoanalyse en politiek lijken welhaast het monopolie van linkse, door het marxisme geïnspireerde auteurs. Het waren in de eerste plaats vertegenwoordigers van de Frankfurter Schule, zoals Erich Fromm en en Herbert Marcuse, die Freuds denkbeelden hebben geannexeerd in hun strijd tegen de onder het kapitalisme heersende vervreemding.

De waardering die marxisten hebben opgebracht voor de psychoanalytische uitgangspunten, is opmerkelijk. Iemand die Freud onbevangen leest, valt het namelijk moeilijk iets aan revolutionaire maatschappelijke suggesties te ontwaren. In politiek opzicht was Freud zelf, zo moest Fromm tot zijn spijt constateren, ‘een typische liberaal met conservatieve trekken’ en zijn denkbeelden moeten wel erg vrij worden geïnterpreteerd, om er een rechtvaardiging voor sociale omwentelingen in te vinden. Het zijn veeleer conservatieven en liberalen die in Freud een bondgenoot hebben.

Driften

Met het voor een politieke overtuiging zo belangrijke mensbeeld zat het bij Freud als volgt. Voor hem was de mens een verlangend wezen, dat wordt voortgedreven door zijn onbewuste driften. Het Freudiaanse beeld van de mens als homo sexualis is in feite een uitgewerkte en verruimde variant op de visie van het individu als homo economicus. Centraal in beide staan de eigenliefde en de zucht naar genot van het geïsoleerde en op zichzelf aangewezen schepsel dat de mens primair is.

Het christelijke gebod de naaste lief te hebben gelijk zichzelf, wees Freud als onpraktisch van de hand. Het is ondoenlijk een universele liefde op te brengen voor alle wezens van de aarde. Hoogstens is het doenlijk om van een paar mensen in de directe omgeving te houden.

Agressie

In de visie van Freud werd de mogelijkheid de naaste te beminnen, ook beperkt door de agressieve neiging van mensen. Voor de mens is de naaste niet alleen een potentiële helper en seksueel object, schreef hij in ‘Het onbehagen in de cultuur’, maar tegelijkertijd ‘iemand die hem ertoe verleidt zijn agressie op hem uit te leven, zonder vergoeding te profiteren van zijn werkkracht, hem zonder toestemming seksueel te gebruiken, te martelen en te doden. Homo homini lupus; wie durft na alle ervaringen van het leven en de geschiedenis deze stelling te bestrijden?’

De mens is de mens een wolf, dat was het sociaal-psychologische uitgangspunt van Freud.

Rede

Als kind van de Verlichting koesterde Freud geloof in de macht van de rede. Door gebruik te maken van hun verstandelijke vermogens konden mensen naar zijn overtuiging verbetering aanbrengen in de maatschappelijke situatie.

Maar de verbeteringen blijven noodzakelijk beperkt. Een ideale, harmonieuze samenleving zal nooit tot stand komen. In de eerste plaats is slechts een klein deel van de mensen in staat tot werkelijk inzicht te komen (van ‘das blöde Volk’, het plebs, moest de sterk elitair denkende Freud niets hebben).

Samenspel

In de tweede plaats wijzigen maatschappelijke veranderingen het wezen van de mens niet. Ook in een geheel andere sociaal-economische orde behouden mensen hun driftimpulsen, hun zucht tot zelfbehoud, hun agressie. Door middel van een redelijke politiek kunnen de omvang en het aantal van de menselijke conflicten beperkt worden, uitgebannen kunnen ze evenwel niet worden.

Het samenspel van rede en gevoel dat in deze visie het doen en laten van individuen kenmerkt, is mooi onder woorden gebracht door de Engelse dichter Alexander Pope: ‘Two Principles in human nature reign/ Self-love, to urge, and Reason, to restrain.’

Onbehaaglijk

Freud vestigde de aandacht op de onvermijdelijke spanning tussen menselijke driften en de eisen van een beschaving. Om te voorkomen dat mensen hun driften op elkaar botvieren, is het noodzakelijk dat de agressieve, destructieve neigingen van mensen worden onderdrukt en daartoe ontwikkelt zich een stelsel van geboden, verboden en taboes.

De aanwezigheid van een dergelijke repressieve cultuur is een voorwaarde voor het voortbestaan van de samenleving, maar ze leidt er tevens toe dat de leden van een samenleving zich enigszins onbehaaglijk voelen omdat zij zich niet kunnen ‘uitleven’. Simon Carmiggelt heeft Freuds visie weleens bondig samengevat met zijn opmerking dat cultuur de mate is waarin de mens zichzelf verhindert te doen waar zijn lagere ik eigenlijk zin in heeft.

Tragisch

Niet alleen de maatschappij, ook de menselijke geest wordt door tegenstrijdige krachten beheerst. De mens streeft naar vrijheid én naar geborgenheid; hij wil heersen én hij wil volgen; hij is onderhevig aan de levensdrift én aan de doods- of destructiedrift. ‘Zoals voor de mensheid in haar geheel, zo is ook voor de enkeling het leven moeilijk te verdragen,’ valt te lezen in ‘De toekomstvan een illusie’.

Met deze tragische levensvisie, dit sterke besef van het menselijk tekort, stond Freud ver af van de optimistische socialisten die met maatschappelijke hervormingen het paradijs op aarde meenden te kunnen vestigen.

Plassertje

Nogal wat ideeën van Freud doen tegenwoordig onaantrekkelijk en verouderd aan. Zijn afkeer van ‘het gepeupel’ zal hartstochtelijke democraten afschrikken en feministen hadden in hem evenmin een bondgenoot.

Op de vraag ‘Was will das Weib?’ bekende Freud het antwoord schuldig te blijven en het beeld van de vrouw dat uit zijn werk naar voren komt, is bovenal dat van een mislukte man, een schepsel dat door het feit dat het zonder een plassertje door het leven moet, tot veel minder in staat is dan een man.

Illusieloos

In zijn bespiegelingen over ‘het wezen’ van de vrouw week Freud nauwelijks af van de opvattingen van de burgerij aan het begin van de eeuw. Het grootse aan hem echter was dat hij zich verder nauwelijks een kind van zijn tijd toonde.

Genadeloos rekende hij af met de vooroordelen van zijn tijdgenoten en presenteerde hij een illusieloos beeld van de mens, dat velen nogal onaangenaam trof. Het zijn Freuds – mooi geschreven – essays over de spanningen tussen het individu en zijn omgeving die nog immer tot nadenken stemmen. Zij maken overtuigend duidelijk waarom wij nooit echt gelukkig zullen worden.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.