Gertjan van Schoonhoven

Van het naïeve Nederlandse beleid voor ‘nazi-roofkunst’ worden vooral advocaten rijk

Door Gertjan van Schoonhoven - 06 november 2013

Ook in Nederland bevindt zich nogal wat kunst met een omstreden herkomst. Het Nederlandse teruggavebeleid is nogal naïef: door lijsten met verdachte kunst op het internet te zetten, maak je het geldbeluste advocatenkantoren wel heel makkelijk.

Dat we nog steeds nauwelijks weten welke ‘nazi-roofkunst’ er nou precies is gevonden in die flat in München, heeft een goede reden: dat maken de Duitse autoriteiten bewust heel mondjesmaat bekend.

Nabestaanden van voormalige joodse eigenaren die denken een of meerdere van de ruim veertienhonderd gevonden kunstwerken te kunnen claimen, moeten zich op goed geluk melden bij het Openbaar Ministerie.

Hoe anders gaat dat in Nederland. Daar zette de Nederlandse Museumvereniging, brancheorganisatie van de Nederlandse musea, eind vorige maand een lange lijst van ‘verdachte’ kunst op internet.

Het gaat om kunstwerken, in Nederlandse musea, die tussen 1933 en 1945 mogelijk onrechtmatig van hun joodse eigenaar zijn afgepakt of door hen gedwongen zijn verkocht.

Ziek

Onder de 139 getoonde verdachte objecten bevinden zich ware topstukken: een Memling, een Jan van Goyen, Kandinsky’s en een Matisse, maar bijvoorbeeld ook vier uiterst kostbare zeventiende-eeuwse zoutvaten uit de collectie van het Amsterdam Museum en het Rijksmuseum.

Menig museumdirecteur moet op dit moment stiekem ziek worden van de gedachte dat dit soort kunstwerken mogelijk worden opgeëist.

Het staat buiten kijf dat het goed is dat deze inventarisatie er is. Maar achteraf kun je je wel afvragen of het wel zo slim was om de hele lijst meteen ook maar op internet te zetten. Dat de Duitse autoriteiten dat met de Münchener roofkunst niet doen, zou tot nadenken moeten stemmen.

Presenteerblaadje

De teruggave van geroofde joodse kunst uit de nazitijd is niet alleen een vorm van terechte genoegdoening. Het is (deels) ook een wespennest van discutabele claims waarin gespecialiseerde, vaak Amerikaanse advocatenkantoren met dollartekens in de ogen een grote rol spelen.

Die krijgen nu van Nederlandse zijde een complete claimcatalogus op een presenteerblaadje aangeboden.

Dat past in het ‘ruimhartige’ teruggavebeleid dat Nederland sinds begin deze eeuw voorstaat. Maar je kunt je afvragen of dit beleid niet een beetje naïef geworden is.

Iemand als Sir Norman Rosenthal, van joodse afkomst en een van de toppers in de Britse museumwereld, sprak enkele jaren geleden al eens zijn weerzin uit tegen de ‘koortsige’, geldbeluste sfeer waarin het teruggavebeleid is terechtgekomen.

Schatrijk

Niet zelden wordt de teruggeven kunst terstond geveild, waarna de helft van de opbrengst naar advocaten gaat, door Rosenthal omschreven als ‘aasgieren’. Kostbare kunstwerken die tot dan toe publiekelijk te zien waren, verdwijnen voorgoed in de kluis van schatrijke verzamelaars, zoals Ronald Lauder.

Wat, vroeg Rosenthal zich een paar jaar geleden af in Der Spiegel, is er dan eigenlijk gewonnen? ‘Kunst moet je niet verstoppen.’

In het licht van deze boeiende discussie is de openbaarmaking van omstreden Nederlands museumbezit rijkelijk naïef. Jammer dat het nu te laat is.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.