Arendo Joustra

Nog lang niet weg en niet dood: een ode aan de krant

Door Arendo Joustra - 30 mei 2015

Als eerbetoon aan de in zijn voortbestaan bedreigde papieren krant toont het Persmuseum vijftig foto’s van krantenlezers. Gefotografeerd door Eddy Posthuma de Boer over een periode van ruim veertig jaar over de hele wereld.

Het is onvermijdelijk dat deze expositie nostalgisch maakt. Op het eerste gezicht is ze een mooie ode aan het lezen van kranten, aan kranten tout court. Maar tegelijk voelt ze als een afscheidstournee, als een grafrede bijna. Want hoe lang zijn dit soort foto’s aan de openbare weg nog te maken? Wanneer volgt de krant het lot van de hondenkar en de paardentram?

De smartphone verdringt de krant immers steeds sneller uit het straatbeeld. Begin dit jaar zag ik twee wegwerkers tijdens hun schaftpauze in hun busje zitten. Met een geroutineerd gebaar veegden ze met hun wijsvinger over het schermpje van hun telefoontoestel.

Een paar jaar geleden hadden ze De Telegraaf in handen gehad. Wellicht keken ze nu op hun schermpje naar de website of app van het grootste ochtendblad, maar een echte, fysieke krant was in hun cabine niet meer te ontwaren.

Waar nog wel? De enigen die nog kranten lezen, zijn journalisten en hun ouders, klinkt het plagend op de sociale media. Het is, zoals veel op diezelfde sociale media, de grootst mogelijke onzin. Want kranten verdienen nog steeds het meeste geld met papier. En in niet-Westerse landen als India blijven de oplagen van dagbladen stijgen.

Identiteit

Als de krant niet bestond, zou hij moeten worden uitgevonden. Een krant toont wie je bent. Aan welke kant van de maatschappij je staat. Welke aspiraties je hebt, zoals de jonge studenten bedrijfskunde laten zien met de roze Financial Times in de zak van hun jasje. Een krant geeft je een identiteit, status.

Een krant is een erudiete tafelgenoot in het koffiehuis. Een plezierige metgezel op straat. Met een krant kun je ergens wachten, zonder de indruk te wekken dat je wacht. Met een krant ben je nooit alleen.

En niets brengt je sneller op de hoogte van wat er speelt in een stad of streek dan de lokale krant. Een krant lezen is de beste manier om je in het buitenland te oriënteren. Over de grote politiek en het kleine ongemak. Zoals de ingezonden brief van een Keniaan in de Daily Nation, die (‘Dear Sir‘) de overheid in Nairobi maant iets te doen aan loslopende olifanten, want die vormen een plaag voor eerzame burgers met een moestuintje.

Een krant heeft ook een groot praktisch nut. Je kunt je achter een krant verschuilen. Of boven je hoofd houden als het begint te regenen. Of tussen je kleren steken tegen de koude wind bij een lange schaatstocht.

Uit de krant kun je recensies knippen om in de besproken boeken te leggen. Een krant kun je, verlegen om een praatje, doorgeven aan de buren (liever niet, zegt de uitgever die abonnementen telt).

Een ander bewijs van praktisch nut, gaf een Koreaanse ambassadeur in Den Haag. ‘Wat is de overeenkomst tussen een politicus en een mug?’ vroeg hij me tijdens de lunch. Hij gaf zelf lachend het antwoord: ‘Beide kun je doodslaan met een krant.’

Eddy Postuma de Boer

De krant is nog lang niet weg, en nog lang niet dood. En zal hopelijk nooit verdwijnen. Maar als het onvermijdelijke toch gebeurt, dan vormen deze vijftig foto’s van Eddy Postuma de Boer een blijvend monument voor de papieren krant.

Het is veelzeggend dat deze expositie slechts een selectie laat zien uit zijn grote collectie ‘willekeurige krantenlezers’. Hieruit blijkt dat hij een omvangrijk archief heeft en dat is bijzonder. De meeste fotografen hebben geen archief. Daar zijn ze te slordig voor.

Of te lui, want een archief opzetten en bijhouden kost veel tijd. Het is bovendien niet het leukste werk en vergt veel discipline. Gelukkig heeft Eddy Postuma de Boer vroeg in zijn carrière beseft, dat hij zelf zijn eigen werk moet bewaren. De kranten en tijdschriften waarvoor hij fotografeerde, deden het niet.

Dat archief is een zegen. Juist omdat veel van zijn werk (niet al zijn werk) een ‘documentair karakter’ heeft. Dat heeft alles te maken met de werkwijze van Eddy Postuma de Boer: hij loopt rond, kijkt en legt vast. Bedelaars, ruiterstandbeelden, kinderen in nood, krantenlezers en nog honderden andere onderwerpen. En dat doet hij al meer dan een halve eeuw. En in meer landen dan de Verenigde Naties leden tellen.

Collectie

Rondlopen, kijken en vastleggen. Dat is Eddy Postuma de Boer ten voeten uit. Ik ben hem nog nooit zonder camera tegengekomen. Niet dat hij die opzichtig meeneemt of er voortdurend mee loopt te zwaaien. De kleine Canon hangt gewoon gebruiksklaar om zijn nek. Tot hij iets ziet dat in de collectie past of juist het begin is van een nieuwe collectie. Dan komt de fotograaf, die zelf het liefst onzichtbaar blijft, in actie.

Behalve in het rondlopen en kijken, toont hij zijn kunde en kracht ook in het vastleggen. Met zijn compositie snijdt hij een onderwerp uit zijn omgeving. Zodat het los komt en betekenis krijgt. Geholpen door, als het even kan, het strijklicht van de vroege ochtend of de late middag. Zo maakt Eddy Postuma de Boer zichtbaar wat voorheen niet zichtbaar was. Documentair dus.

Bij hem moet ik altijd denken aan de beroemde zinnen van de Britse schrijver Christopher Isherwood. Hij schreef die een jaar voordat Eddy Postuma de Boer werd geboren en ze staan op de openingspagina van zijn Berlijns dagboek:

I am a camera with its shutter open, quite passive, recording, not thinking. Recording the man shaving at the window opposite and the woman in the kimono washing her hair. Some day, all this will have to be developed, carefully printed, fixed.

Maar anders dan Isherwood, weet Eddy Postuma de Boer wat hij ziet. Namelijk wat hij ons wil laten zien. Een werkelijkheid, die per definitie vergankelijk is. En deze keer zijn dat ‘willekeurige krantenlezers’. Om voor altijd te koesteren.

Arendo Joustra leest elke dag zes kranten.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.