Marijke Hilhorst

Het is mijn angst die mijn hond Fifi laat sterven

Door Marijke Hilhorst - 07 oktober 2015

Ik ben me ervan bewust dat het bijna blasfemisch klinkt als ik vertel waarom ik droevig ben. Het gaat namelijk om mijn hond Fifi.

Doodsangst is heel levend. Het zal dan ook niet toevallig zijn dat ik een paar minuten geleden, speurend naar passende muziek bij het schrijven van deze column, het Stabat Mater van Arvo Pärt koos dat gebaseerd is op een beroemd middeleeuws gedicht in het Latijn over het onmetelijke verdriet dat de moeder van Jezus overvalt als zij onder het kruis staat waaraan hij stierf.

Ik ben me ervan bewust dat het bijna blasfemisch klinkt als ik vertel waarom ik droevig ben. Het gaat namelijk om mijn hond Fifi. Ze is bijna dertien en vertoont sinds kort duidelijke tekenen van veroudering die een afscheid aankondigen.

Zo was ze altijd een enthousiaste en excellente hoogspringer. In ons vorige huis, waar de bank vrij stond, was het voor haar een sport om die van achteren te naderen en over de leuning heen tussen ons in te springen. Uit stand desnoods.

Had ze geen zin in natte voeten dan nam ze plassen in het park als een volleerd circushondje, ruim en sierlijk, met de voor- en achterpootjes perfect gestrekt. Ik had haar niet getraind, ze deed het uit zichzelf, voor de lol.

Vacht

Tegenwoordig heeft ze niet meer alles onder controle. Een tijdje geleden vergiste ze zich voor het eerst in de hoogte van de hocker voor het raam waarop ze overdag graag ligt om naar buiten te kijken en werd ze door het ding teruggekaatst.

Het was gênant om te zien; in een reflex draaide ik mijn hoofd weg. Ook zij leek zich te schamen. Een tweede poging ondernam ze niet. Ze slenterde naar de mand in de hoek, poot over de ogen.

Sindsdien gebeurt het steeds vaker. Bij een sprong over een laag hekje in het Vondelpark – honderden keren perfect gegaan – bleef het rechterachterpootje haken. Ze hinkte een paar passen, bleef toen staan tot ik had geconstateerd dat er niets ernstigs aan de hand was en haar had aangemoedigd onze wandeling voort te zetten.

Op het lage hekje heeft ze revanche genomen, maar aan de meeste voorheen aangename plekjes op enige hoogte waagt ze zich niet meer. Ook het ‘Sophietje gooien’ is verleden tijd. Na het eten, om zes uur, kwam ze altijd dwingend met haar girafje aan, dat wij – tig keer – in de gang moesten werpen en dat zij dan zo snel mogelijk terugbracht.

Niet alleen de motoriek, ook haar vacht is veranderd. Die is wat mottiger geworden, valer, grijzer, rommelig. Een beetje zoals bij een oudere, slecht geschoren heer, bij wie hier en daar in het gezicht plukjes haar zijn achtergebleven.

Als ze net van de trimmer komt, ziet ze er weer behoorlijk uit. Dat zou dus vaker kunnen, ware het niet dat het voor haar een kwelling is. Plezier beleeft ze niet aan een jeugdig uiterlijk; een dier kijkt niet in de spiegel.

Wel overigens toen ze heel klein was. Als pup. Een paar keer is ze toen verrast geweest door de plotselinge confrontatie met een andere hond als ze in de slaapkamer de passpiegel passeerde, maar opeens was dat over, trapte ze er niet meer in.

Bevrijden

In de prachtige trage film 45 years betreurt de hoofdpersoon Kate Mercer, gespeeld door Charlotte Rampling, het feit dat ze geen enkele foto heeft van haar hond als pup. Ik heb er een op mijn bureau staan. Schattig. Genomen op Vlieland, weet ik nog.

Daar ging ze een keer achter een fazant aan, joeg die op tot hij zichzelf met zijn kop in het gaas van een hek vastliep. Fi keek toen verbaasd om naar mij: wat nu? Ze wilde spelen, hem achtervolgen, niet pakken. Ze liet mij het stomme dier bevrijden en over het hek zetten.

Ook zie ik Fietje mal doen met het waterbakje; daar ging ze met haar vier pootjes in staan en dan maar petsen. Ik heb het nooit verboden want ik vond het grappig. Kennelijk vond ze zich er op een gegeven moment te groot voor geworden. Honden leggen zich bij situaties neer.

Ze kijken niet achterom, noch vooruit, ze stellen geen bucketlist op als de dood nadert. Toch moet er iets zijn; hoe verklaar ik anders dat ze me sinds kort altijd volgt in huis. Ook als ik opsta om koffie te halen, sjokt ze mee.

Vannacht schrok ik wakker uit een droom. Fi slaapt in een mandje naast mijn bed en snurkt doorgaans geruststellend. Nu was het stil. Doodstil. Ik stak mijn arm uit, voelde een koud lijfje. Ik moet een gil hebben geslaakt voor ik het licht aanknipte, want ook man schoot overeind.

Fi’s borstkas bewoog regelmatig. Ze leefde. Ze leeft. Het is mijn angst die haar laat sterven. Hoe vaak nog?

Elsevier nummer 42, 17 oktober 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.