economie

Hofleveranciers: het bewijs van stabiliteit

Door Carla Joosten - 12 september 2014

Bedrijven met het predicaat ‘Hofleverancier’ leveren vrijwel nooit aan het Koninklijk Huis. Wel zegt het vaak dat een bedrijf langer meegaat dan vandaag en een stabiele koers vaart.

Dat koningin Máxima heel wat juwelen heeft, is bekend, maar die koopt ze zelden of nooit bij een van de zeven Nederlandse juweliers die zich Hofleverancier mogen noemen. In België leveren de ruim honderd Hofleveranciers wél aan het hof. In Nederland is dat meestal niet het geval. In de lijst van oudste bedrijven die Elsevier presenteert, staan 442 Hofleveranciers – een groot deel daarvan zijn familiebedrijven.

Onberispelijk

Alleen al pakweg dertig banketbakkers bezitten het predicaat Hofleverancier. Ook voor hen geldt dat de Oranjes er niet per se hun taartjes kopen. Wat ze gemeen hebben, is een onberispelijke reputatie. Dat is de voorwaarde om als bedrijf koninklijk te worden onderscheiden. Dat geldt voor kandidaten voor het predicaat Hofleverancier – die een oorkonde krijgen en een zelf aan te schaffen en te bekostigen wapenschild – maar ook voor bedrijven, instellingen en verenigingen die als Koninklijk door het leven willen met een kroontje in hun logo. Daarvan staan er in de lijst 159.

In 1807 werden de eerste Nederlandse bedrijven vereerd met het hofleverancierschap. Dat was nadat Lodewijk Napoleon door zijn broer, de Franse keizer Napoleon, tot vorst van Holland was gebombardeerd. In zijn thuisland Frankrijk kenden ze het fenomeen al. In feite betekende Hofleverancier zijn toentertijd: klaarstaan voor de vorst. In de praktijk bestelde die veel en betaalde hij weinig of helemaal niets.

Koning Willem I nam begin negentiende eeuw de gewoonte van Lodewijk Napoleon over. Vorsten zagen de onderscheidingen als middel om een band te kweken met de bevolking en de lokale economie te stimuleren. In het zuiden van Nederland, waar de Oranjegezindheid minder was dan elders in het land, kregen talloze muziekverenigingen – harmonieën en fanfares – het predicaat Koninklijk. Zodoende werden ze bij het nieuwe koninkrijk betrokken. Dat opportunisme hield lang stand.

Koningin Wilhelmina bracht begin twintigste eeuw onderscheid aan tussen de predicaten ‘Hofleverancier’ ‘Koninklijk’: de eerste is sindsdien bedoeld voor regionaal opererende bedrijven (vaak detailhandel), de tweede voor grote bedrijven die zich veelal op het internationale pad begaven. Later moesten die bedrijven ook minstens honderd werknemers hebben. Hoewel de klad in de onderscheidingen kwam tijdens het koningschap van Juliana – ze vond onderscheid maken maar niks – overleefde de traditie tot op heden.

Wapenbord

Vóór het aantreden van Beatrix als Koningin wezen alle leden van het koningshuis zelf hofleveranciers aan. Vooral prins Bernhard had er schik in. De vorstin trof bij haar aantreden in 1980 zo’n rommeltje aan dat ze overwoog er maar helemaal mee te stoppen. Er waren wapenborden in omloop van koningin Emma, koningin Wilhelmina en prins Hendrik – vaak in verscheidene modellen. Die borden hingen hofleveranciers bijvoorbeeld aan hun gevel.

Bernhard kende het predicaat veelvuldig toe, ook met een eigen wapenbord. Zo werden Amstel, Bols en Spa hofleverancier. Ook voor prins Claus is indertijd een bord ontworpen. Het is nooit gebruikt, en valt te bezichtigen in het museum Buren en Oranje in Buren. Een slijter in Hoorn vervaardigde zelf een wapenbord voor zijn zaak, nadat Claus tijdens een zeiltocht een fles drank bij hem had gekocht. Dat was natuurlijk niet de bedoeling.

Na enige aarzeling besloot koningin Beatrix midden jaren tachtig beide predicaten te handhaven en te moderniseren. Uit onderzoek was gebleken dat het zeker nog belangstelling van bedrijven had, ook al was het aantal predicaten rond 1985 gezakt tot 170. Beatrix stelde nieuwe spelregels op die per 1 mei 1987 leidden tot de ‘Hofleverancier nieuwe stijl’, met een nieuw bijbehorend Koninklijk Wapen, ontworpen door het bureau van R. Oxenaar.

Alleen de vorst zelf deelt voortaan de eretitel uit. Officieel heet het niet meer ‘Hofleverancier’, maar ‘Bij Koninklijke Beschikking Hofleverancier’. Iedereen die al Hofleverancier was, moest het predicaat opnieuw aanvragen.

De schoonmaak werkte. Het beroerde imago verdween en het predicaat kreeg bijna net zo’n aanzien als het prestigieuze koningschap van Beatrix zelf. Zij verleende de eretitel 559 maal. Haar opvolger Willem-Alexander trof een dusdanig goed georganiseerd systeem aan dat hij er bij zijn aantreden in 2013 niets aan veranderde. Alleen al in zijn eerste regeringsjaar verleende hij 26 keer het predicaat Hofleverancier. Onderscheiden werden bijvoorbeeld een conservenfabriek in Dodewaard en rijwielhandels in Tilburg en Nieuwlekkerland. Tijdens het bewind van Beatrix raakten ook veel bedrijven hun predicaat Hofleverancier kwijt. Vandaar dat er nu minder dan 450 over zijn.

Elke fabrikant of middenstander die voldoet aan de strenge eisen en een jubileum viert van minstens honderd jaar, komt in principe in aanmerking voor de eretitel, al wordt die in de praktijk bij hoge uitzondering verleend. Bij een faillissement, een buitenlandse overname of bij reputatieverlies gaat de titel verloren. Dat gebeurde bijvoorbeeld met sigarenfirma P.G.C. Hajenius in Amsterdam, die sinds 1851 de titel ‘Hofleverancier’ mocht voeren en ook daadwerkelijk aan vele Europese vorstenhuizen leverde. Toen de zaak in buitenlandse handen kwam, moest het predicaat worden ingeleverd: het koninklijke wapen niet, want dat is in Oberkirchner zandsteen boven de entree van de zaak gebeeldhouwd en vormt één geheel met de façade van het pand.

Opspraak

Bedrijven of instellingen die zich Koninklijk mogen noemen, moeten hun titel om dezelfde redenen inleveren. Uitzonderingen zijn altijd mogelijk. Shell, waarvan de voorloper al in 1890 de titel kreeg, mocht die houden nadat de firma een onderneming naar Brits recht werd. Begin deze eeuw kwam Koninklijke Ahold door een boekhoudfraude ernstig in opspraak. Desalniettemin mocht het supermarktconcern zijn titel behouden, zij het in eerste instantie voor minder dan 25 jaar, om te kunnen bewijzen dat het bedrijf de eer verdiende.

De meeste Hofleveranciers zijn kleine of middelgrote ondernemingen. Bakkers, juweliers, kwekers, bloemisten, schoenmakers, woninginrichters, bouwbedrijven, slagers en wijnhandels zijn goed vertegenwoordigd. Het letterlijk ‘leveren aan het hof’ is van voorbije tijden. Toch denkt ruim een op de zes consumenten dat dit wel zo is, bleek in 2013 uit onderzoek van ING. Een kroontje in het logo van een bedrijf boezemt ook vertrouwen in. Toch levert het koninklijke bedrijven geen extra omzet op, aldus onderzoekers van Brand Finance. Wel blijken bedrijven in beide categorieën er gemiddeld genomen goed voor te staan en betalen ze rekeningen sneller dan gemiddeld.

Op de beurs presteren koninklijke fondsen opvallend goed, constateerde NYSE Euronext bij de troonswisseling in 2013. De beursorganisatie stelde een Koningsindex op aan de hand van de beursprestaties van de zeventien fondsen die het predicaat Koninklijk mogen voeren en van voorgangers in het verleden. Fondsen als Shell, KPN, Philips, DSM en KLM hadden sinds de troonsbestijging van Beatrix in 1980 hun beurskoers gemiddeld met 6,3 procent per jaar zien stijgen.

Als verklaring gaf NYSE Euronext dat de koninklijke fondsen ‘bovengemiddeld stabiel’ waren. Dat kan kloppen. Een onderneming die in aanmerking wil komen (en dat geldt ook voor de Hofleveranciers) moet 100, 125, 150 of telkens 25 jaar langer bestaan. Die lange historie zie je vaak bij familiebedrijven. Daarom zijn die in groten getale onder de Hofleveranciers te vinden.

Het bedrijf dat ‘Bij Koninklijke Beschikking Hofleverancier’ of Koninklijk wil worden, moet een aanvraag indienen bij de burgemeester van de plaats van vestiging, deze het doorstuurt naar de commissaris van de Koning. Diens kabinet doet een grondig onderzoek naar het wel en wee van de onderneming. Hele doopcelen worden gelicht, want bestuurders van die bedrijven mogen geen strafblad hebben. Verschillende ministeries komen eraan te pas. Zo zoekt Economische Zaken uit of een onderneming financieel gezond is, toetst Sociale Zaken en Werkgelegenheid de arbeidsomstandigheden en hygiëne en kijkt Infrastructuur en Milieu naar de milieuvergunningen. Een arbeidsintensieve exercitie, waarvan de kosten onduidelijk zijn.

Op basis van de bevindingen van de betrokken ministeries schrijft de commissaris van de Koning zijn advies aan de vorst. Ruim de helft daarvan is negatief. Veiligheid en hygiëne zijn struikelblokken, en vaak blijkt niet bewezen dat een bedrijf minimaal honderd jaar oud is. Mocht blijken dat de oprichter fout in de oorlog was, dan zal de aanvrager dat overigens niet vernemen.

Het al dan niet verlenen van het predicaat door de Koning is een persoonlijke beschikking. Hij is de enige die beslist. Dat gebeurt meestal ongeveer een jaar na de aanvraag.

De commissaris van de Koning of burgemeester komt de bijbehorende oorkonde uitreiken. Het bedrijf mag de felbegeerde eretitel niet in de eigen naam opnemen, maar alleen een wapenschild op de gevel aanbrengen. Ook hier gelden strikte voorwaarden. Het bedrijf moet zo’n bord zelf bestellen en bekostigen. Wie de titel eenmaal heeft, moet elke 25 jaar ‘bestendiging’ aanvragen.

Vertrouwen

Waarom tooien bedrijven zich graag met het predicaat Hofleverancier? Clé Cobbenhagen, directeur van de gelijknamige kaarsenfabriek in het Limburgse Gulpen en sinds 1999 hofleverancier, zei na de uitverkiezing tegen Elsevier : ‘Het illustreert de soliditeit van ons bedrijf. We bestaan 150 jaar en de vorige generatie Cobbenhagen leeft nog, dat maakt het voor ons extra aardig. Het geeft bovendien vertrouwen bij de klant, we zijn niet zo’n zaak die gisteren is begonnen en morgen weer verdwijnt. Maar verder verandert het niets: we moeten ook vandaag gewoon weer hard werken.’

Sinds 1975 houdt de stichting Hofleveranciers in Nederland de verwikkelingen rond het predicaat nauwlettend in de gaten. Drijvende kracht is historicus en publicist Rolf van der Krogt uit Voorburg. Hij begon in 1975 met onderzoek na de toevallige vondst van een oud wapenbord. Het onbeheerd achtergelaten bord bleek symptomatisch voor de toestand waarin het predicaat verkeerde. Zelfs een precieze lijst was niet te vinden. Door het aanschrijven van bedrijven of er zelf langs te rijden, het nalezen van verpakkingen en verzamelen van wapenborden bouwde Van der Krogt een uitgebreide documentatie op, die al tot diverse boeken leidde.

De stichting wil een band kweken tussen de Hofleveranciers, verzorgt nieuwsbrieven en beheert een collectie wapenschilden en oorkondes. De stichting is ook vraagbaak, maar namens het hof spreken of verwachtingen wekken over de beoordeling van een aanvraag, is uit den boze. Daarover zijn afspraken gemaakt met het Kabinet van de Koning.

Soms komen er klachten binnen over Hofleveranciers. Die worden discreet doorgestuurd naar de particulier secretaris van de Koning. Ook wordt precies bijgehouden welke firma’s erbij komen of afvallen. Het bedrijf dat stopt, mag het zelfbekostigde wapenschild houden; het mag niet op Marktplaats worden gezet, want het is een beschermd beeldmerk. De oorkonde dient, bij wijze van afmelding, te worden teruggestuurd.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.