economie

Dit moet klant met schuldgevoel weten over herkomst van kleren

Door Fleuriëtte van de Velde - 20 april 2015

Goedkope kleding is in de beeldvorming symbool voor misstanden als kinderarbeid. Maar duur is niet per se beter. Wat consumenten met een schuldgevoel moeten weten over de herkomst van hun kleren.

Een broek op de kinderafdeling van H&M kost 7 euro, een dames-sweater is er vanaf 9,99 euro. Net als bij ketens als C&A en Zeeman is kleding er spotgoedkoop. Het kan nog goedkoper.

Bij de populaire kledingwinkel Primark kost een T-shirt 3 euro. Een paar slippers 1,50 euro. Terwijl veel artikelen de afgelopen vijftien jaar duurder werden, daalde de prijs van kleding. Dat vinden consumenten fijn, maar het geeft zo nu en dan ook een ongemakkelijk gevoel.

Want sinds de ramp in de Bengaalse textielfabriek Rana Plaza, twee jaar geleden, waarbij ruim elfhonderd arbeiders stierven, leggen veel consumenten de link tussen goedkope kleren en de slechte arbeidsomstandigheden in de Aziatische fabrieken waar die worden gemaakt. Hoe zit het?

Zeven vragen en antwoorden over de kledingindustrie.

Anders dan vaak wordt gedacht, heeft dat niet zozeer te maken met de lage lonen die de arbeiders krijgen. Tal van duurdere merken laten hun kleding namelijk in dezelfde fabrieken maken.

Alle arbeiders in zo’n fabriek krijgen hetzelfde loon en werken onder dezelfde omstandigheden, of ze nu een broek maken voor C&A of Hugo Boss. De goedkopekledingbedrijven (‘fast fashion-bedrijven’) stellen dat de kleren zo goedkoop zijn doordat ze massaal inkopen. Het gaat dan om orders van bijvoorbeeld 1 miljoen T-shirts.

En ze hanteren lage marges. Doordat ze veel verkopen, maken ze toch winst. Primark zegt nóg goedkoper te kunnen zijn omdat het simpele prints gebruikt en nauwelijks reclame maakt.

Bovendien geldt: de productiekosten zijn maar een fractie van de winkelprijs van een kledingstuk. Die  wordt vooral bepaald door winkelhuur, reclame en personeelskosten in Nederland.

2. Als de productiekosten een fractie zijn van de verkoopprijs, kan een kledingbedrijf toch makkelijk de lonen van de fabrieksarbeiders verhogen?

Kledingmerken zijn in een fabriek één van de vele klanten. Zij stellen dat ze daarom niet over lonen kunnen beslissen. ‘We eisen wel dat onze fabrikanten het minimumloon betalen, maar wij gaan niet over de hoogte daarvan,’ zei Primark-woordvoerder Paul Lister onlangs tegen Elsevier.

En zelfs een verhoging van het minimumloon is niet altijd een verbetering voor de arbeiders. Na de ramp in Rana Plaza verhoogde de regering van Bangladesh, mede onder internationale druk, het minimumloon van 28 naar 50 dollar per maand. Prompt stegen de huren.

3. Kledingmerken kunnen toch de inkoopprijzen verhogen? Door lage prijzen te bedingen, zetten ze fabrieken onder druk.

Dit is bekend als the race to the bottom: de druk om zo goedkoop mogelijk te produceren. In de kledingindustrie is de concurrentie extreem. China is nog steeds de grootste textielproducent ter wereld, maar inmiddels zijn landen als Bangladesh China voorbijgestreefd in de race om de laagste lonen.

Birma en Ethiopië zijn in opkomst. Bedrijven zeggen ook dat ze niet weten of extra geld bij de arbeiders terechtkomt of in de zakken van de fabriekseigenaar belandt.

Wat kan helpen, is dat bedrijven meer lokaal aanwezig zijn om een oogje in het zeil te houden, de positie van lokale vakbonden helpen versterken en investeren in hun relatie met leveranciers, zodat ze een vertrouwensband krijgen. Van de ene naar de andere fabriek hoppen, zoals nu vaak gebeurt, helpt dan niet.

4. Waarom is het zo moeilijk voor bedrijven om hun kleding onder behoorlijke arbeidsomstandigheden te laten maken?

Kledingbedrijven hebben soms honderden verschillende leveranciers in tientallen landen. Deze fabrikanten werken met toeleveranciers, zoals spinnerijen, die soms in een ander land zitten. Dat maakt het vrijwel onmogelijk om te controleren of regels overal worden nageleefd.

Volgens MVO Nederland, dat zich inspant voor een duurzame  textielindustrie, bestellen de grote bedrijven direct bij fabrieken, maar werken ‘subtoppers’, zoals HEMA, vaak ook nog via tussenhandelaren, waardoor ze nog minder zicht hebben op wat er gebeurt.

De keten moet daarom transparanter worden, vinden partijen als MVO Nederland. In navolging van H&M maken steeds meer bedrijven, zoals Nike, Levi’s en het Nederlandse G-star, openbaar wie hun leveranciers zijn.

5. Is controle van arbeidsomstandigheden niet de taak van de lokale overheid?

Natuurlijk, maar als die ernstig tekortschiet, zoals in Bangladesh, moeten bedrijven misschien zelf ‘hun verantwoordelijkheid’ nemen. Dat vinden niet alleen westerse vakbonden, ngo’s en de Nederlandse minister van Buitenlandse Handel Lilianne Ploumen (PvdA) – van wie je het kunt verwachten – maar ook steeds meer bedrijven, zoals Primark.

Dat komt mede door kritische vragen van consumenten. Actiegroepen als Schone Kleren Campagne mopperen publiekelijk dat bedrijven niet genoeg doen, maar achter de schermen werken ze vaak goed samen.

Dat was tien jaar geleden onvoorstelbaar. Zo ging hulporganisatie Solidaridad een partnerschap aan met H&M, dat zich profileert als ‘koploper in duurzame mode’.

6. Kunnen consumenten kleding gemaakt in Bangladesh niet beter boycotten?

Nee, vinden ook critici. Boycots lossen zelden wat op. De arbeidsomstandigheden mogen – zeker naar westerse maatstaven – ernstig te wensen over laten, tegelijk is de textielindustrie een belangrijke inkomstenbron voor het straatarme Bangladesh: zij is goed voor 80 procent van de exportinkomsten.

Het biedt werk aan vier miljoen mensen, van wie 80 procent vrouwen. Dat vermindert de armoede en versterkt de emancipatie van vrouwen, die vaak voor het eerst mogen werken.

Als bedrijven het land verlaten, zoals film- en kledingproducent Walt Disney deed na de ramp in Rana Plaza, dupeer je de arbeiders, stellen ngo’s. Bedrijven voeren dat zelf ook aan als reden om in een ‘moeilijk’ land te blijven.

7. Er wordt veel gepraat over de misstanden in de Bengaalse kledingindustrie, maar wordt er ook iets aan gedaan?

Zo’n tweehonderd internationale bedrijven hebben het Bangladesh Veiligheidsakkoord ondertekend, dat kledingfabrieken in dat land veiliger moet maken. Opvallend is dat het akkoord juridisch bindend is: partijen kunnen elkaar voor de rechter slepen.

Voorstanders zien het als stap in de goede richting, maar er is nog een lange weg te gaan, niet alleen in Bangladesh.

Belangrijker is wellicht de vraag of de textielindustrie in de huidige vorm een lang leven beschoren is. Zeker nu de vraag naar kleding groeit doordat steeds meer Chinezen zich kunnen veroorloven er modieus bij te lopen.

Het is een van de weinige branches die zichzelf nooit hebben vernieuwd. Processen verlopen nog als in de negentiende eeuw. MVO Nederland werkt inmiddels met ruim honderd partijen aan innovaties als recycling van textiel.

Elsevier nummer 17, 25 april 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.