economie

Hoe immigranten zich met succes ‘invechten’ in maatschappij

Door Nikki Sterkenburg - 28 april 2015

Premier Mark Rutte kreeg iedereen over zich heen toen hij zei dat immigranten zich in de samenleving moeten ‘invechten’. Maar had hij ongelijk? ‘Invechten’ is al lang de praktijk, en niet zonder succes.

Premier Mark Rutte (VVD, 48) bedoelde het nog wel zo goed, toen hij in dagblad Metro sprak over de Haagse vmbo-klas waaraan hij elke donderdag maatschappijleer geeft.

‘Een van de dingen die ik leer, is hoe ingrijpend discriminatie is. Dat het in Nederland nog veel voorkomt en het echt uitmaakt of je Mohammed of Jan heet als je solliciteert. Ik heb daarover nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat ik dit niet kan oplossen. De paradox is dat de oplossing bij Mohammed ligt. Ik kan tegen Nederland zeggen: “Discrimineer aub niet, beoordeel iemand op karakter en kennis.” Maar als het wel gebeurt, heeft Mohammed de keus: afhaken wegens belediging of doorgaan. Nieuwkomers hebben zich altijd moeten aanpassen en altijd te maken gehad met vooroordelen en discriminatie. Je moet je invechten.’

Ruttes woorden werden al gauw geïnterpreteerd als ‘discriminatie los je zelf maar op’. Hij zou volgens critici allochtonen hebben opgeroepen tot assimilatie. Hij had als premier moeten uitdragen dat discriminatie bij wet is verboden.

CNV Jongeren pleitte direct voor een verplichte reactie van werkgevers op een sollicitatie, zodat een jongere weet waarom hij of zij wordt afgewezen.

Vicepremier Lodewijk Asscher (40, PvdA) greep een Kamerdebat over discriminatie aan om te benadrukken dat het kabinet wel degelijk samen met werkgevers in actie wil komen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt: ‘We zullen discriminatie nooit accepteren.’

Hard werken

Hoewel de ‘migrantenjongeren’ op deze pagina’s verschillend tegenover de uitspraak van Rutte staan en soms inderdaad discriminatie ervaren, is ook hun conclusie dat er niets anders op zit dan hard te werken.

Dat is ook de conclusie van bijvoorbeeld de Marokkaanse broers Yamani (39) en Samad (43) Hitli, die twee maanden geleden The Burgerhouse in Rotterdam openden, waar je voor 8 euro een menu kunt krijgen met een dagverse hamburger en huisgemaakte friet.

Voor de broers Hitli staat ‘invechten’ synoniem aan ondernemen. Yamani: ‘Ik denk dat Rutte gelijk heeft. Hij heeft bewust voor het woord “invechten” gekozen, hij zegt niet “inmasseren”. Als je succes wilt hebben, moet je jezelf bewijzen. Dat geldt in elke samenleving.

‘Als je elke dag ingeslapen op je werk achter je bureau zit en het allemaal wel best vindt, zul je nooit succesvol zijn, ongeacht je achtergrond. Ik denk dat mensen die zichzelf moeten invechten door hun strijdbaarheid en creativiteit juist succesvoller zullen zijn.’

Het idee voor hun restaurant ontstond tijdens een vakantie in Marokko, waar Marokkaanse Nederlanders lang in de rij staan bij fastfoodketens. In Nederland komen ze er echter een stuk minder, omdat de hamburgers hier niet halal zijn. Samad: ‘We zagen een gat in de markt.’

Uitrollen

Toch staat op de gevel niet uitdrukkelijk dat het om een halal-restaurant gaat en heeft The Burgerhouse een moderne en hippe uitstraling. Samad: ‘De basis van ons concept blijft een lekkere hamburger. We hebben een open karakter en willen een zo breed mogelijk publiek trekken.’

Wegens het directe succes meldden zich binnen twee maanden na opening al de eerste geïnteresseerden om het concept uit te rollen.

Mocht dat gebeuren, dan kunnen zij zich  wellicht aansluiten in de rij succesvolle Nederlandse ondernemers met een niet-westerse achtergrond, zoals ondernemer Olcay Gulsen (Koerdisch) van kledingmerk Supertrash, Rattan Chadha (Indiaas) van kledingmerk Mexx en hotelketen citizenM, Atilay Uslu (Turks) van touroperator Corendon en Rahma el Mouden (Marokkaans) van schoonmaakbedrijf MAS Dienstverleners.

Ondanks dergelijke successen hebben jongeren met een niet-westerse achtergrond het wel degelijk zwaar op de arbeidsmarkt. Een kwart van de allochtone jongeren zit werkloos thuis – dat percentage is twee keer zo hoog als bij autochtone jongeren.

Maar uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt ook dat de tweede generatie niet-westerse migranten het relatief goed doet. Ze hebben vaker een betaalde baan dan hun ouders en bieden zich meer aan op de arbeidsmarkt.

Dat komt vooral door het opleidingsniveau. Zo waren in 2013 Turkse en Marokkaanse 25- tot 35-jarigen drie keer zo vaak hoogopgeleid als de 55- tot 65-jarigen uit deze groepen.

Criterium

Toch is er geen eenduidig antwoord op de vraag wat de overheid concreet kan doen om discriminatie op de arbeidsmarkt tegen te gaan. Zo is Vicky Amo-Addae (22, half-Ghanees) niet voor een diversiteitsquotum.

‘Ik heb van mijn vader altijd geleerd dat ik extra hard mijn best moet doen. Dan wil je uiteindelijk ook aangenomen worden om wie je bent en wat je kan, en niet omdat een bedrijf aan een bepaald criterium wil voldoen.’

Ook de Turks-Nederlandse Emin Erdogan, geboren en getogen in Rotterdam, ziet daar geen oplossing in. Wel probeert hij met de islamitische stadspartij NIDA bij te houden wie van de ‘niet-westerse’ Rotterdamse jongeren last heeft van discriminatie op de arbeidsmarkt.

Erdogan (24): ‘Veel jongeren hebben het gevoel dat ze hier geen toekomst hebben. Laatst sprak ik een Turkse jongen die als experiment een sollicitatiebrief twee keer had verstuurd: eenmaal onder zijn eigen naam en eenmaal onder een Nederlandse naam.

‘Hij werd onder zijn eigen naam afgewezen en onder de Nederlandse naam wel uitgenodigd, dus hij ging naar het gesprek. Toen kreeg hij van het bedrijf de wind van voren: “Wat jij doet, is niet legitiem, jij rommelt met persoonsgegevens.” Het bedrijf toonde weinig zelfreflectie. Ik vind daarom de uitspraak van Rutte niet slim, bedrijven mogen best op hun verantwoordelijkheden en de heersende vooroordelen worden aangesproken.’

Maar quota? Daar ziet ook hij niks in.

Elsevier nummer 18, 2 mei 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.