economie

CBS: Nederlandse flexwerker minst beschermd van Europa

Door Nina Bogosavac - 01 juni 2015

In tien jaar tijd is het aandeel werknemers met een tijdelijk contract sneller gegroeid dan in de meeste andere Europese landen. Nederland staat daarmee op nummer twee in de top drie van EU-landen met flexwerkers, achter Portugal.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), dat onderzoek deed naar de flexibilisering op de Nederlandse arbeidsmarkt, verklaart de populariteit van de Nederlandse flexwerker ten opzichte van andere landen door de hoge mate van ontslagbescherming.

Het risico om iemand een vast contract aan te bieden is vanuit de werkgever groot: alleen in Portugal is er meer arbeidsbescherming.

Hoewel Nederland geldt als een van de Europese landen met de hoogste arbeidsbescherming voor mensen met een vast contract, zijn mensen met een flexibele arbeidsrelatie hier het minst beschermd. De kloof tussen vast- en flexibel werk is daarmee groot, stelt het onderzoeksbureau.

Toename

In plaats van een vaste werknemer huren bedrijven in toenemende mate flexibele werkkrachten in: de afgelopen tien jaar steeg het aandeel werkenden met een flexibele arbeidsrelatie – een arbeidsovereenkomst van beperkte duur of een niet vast overeengekomen aantal uren contract – in Nederland met bijna de helft: tussen 2004 en 2014 was er een toename van 47 procent.

Ook nam het aandeel zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) in diezelfde periode toe: van 8 naar 12 procent.

Het aantal zzp’ers neemt al langere tijd gestaag toe: in het eerste kwartaal van dit jaar werkten ruim een miljoen Nederlanders als zzp’er, blijkt uit cijfers van het CBS. De afgelopen vijf jaar kwamen er jaarlijks gemiddeld 35.000 bij.

Aantrekkelijk

Volgens het rapport is het inzetten van flexibel werk al veel langer aan de gang en komt dat niet alleen door de economische crisis: hoogopgeleide jongeren en volwassenen werken in toenemende mate liever flexibel.

Het is voor hen geen noodgreep tijdelijk in een bedrijf te treden of met een 0-uren contract te werken. Ook wordt een combinatie van twee of meer banen vaker aantrekkelijk gevonden. Vooral de uitdaging die een dergelijke constructie biedt, vinden zij vaak interessant.

Voor laagopgeleiden ligt dit anders: bij hen speelt financiële noodzaak vaker een rol in de keuze om zzp’er te worden. Zij zijn vaak de dupe van ontslag – met name in de bouw – en worden na ontslag vervolgens ingehuurd door hun oude werkgever. Financiële klappen – zodra een bedrijf minder klussen heeft – komen daarmee harder aan dan wanneer iemand in loondienst is.

Randstad

Binnen Nederland zijn er wel regionale verschillen in flexibele arbeid: deze hangen samen met de mate van verstedelijking, zo is in de grote steden het aantal flexwerkers – logischerwijs – het grootst.

Van de stadse werknemers die een flexibel contract krijgen, heeft na drie jaar ruim één derde een vaste baan. Dit is te wijten aan het relatief grote aantal aanwezige (hoogopgeleide) jongeren: zij zijn vaker actief als zzp’er in de economische dienstverlening – een sector die zich leent voor de flexibele schil, in tegenstelling tot regio’s als Noord-Brabant waar redelijk veel industrie is. Uit het CBS onderzoek blijkt dat werknemers in Utrecht, Noord-Brabant en Gelderland een grotere kans hebben op vast werk dan werknemers in andere provincies.

Nieuwe plannen

Het nieuws komt in een tijd waarin het het kabinet werkt aan nieuwe plannen voor zzp’ers. Het kabinet zou belastingvoordelen voor de zelfstandigen willen afschaffen, om zo het verschil tussen een vaste medewerker en een zzp’er te verkleinen.

VVD-fractieleider Halbe Zijlstra maakte zaterdag een sneer tegen links door tijdens het partijcongres in Arnhem te zeggen dat zzp’ers geen probleem zijn. ‘Wij zien zzp’ers niet als een probleem. Laten we eerlijk zijn: we moeten niet vaste contracten aantrekkelijker maken door het zzp-schap onaantrekkelijk te maken.’

Het aandeel flexwerkers steeg in die tien jaar met bijna de helft: (nieuw-oud)/oud = (22-15)/15 = 47 procent.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.