economie

Elsevier-onderzoek Beste Banen: vooral academici profiteren

Door Arthur van Leeuwen - 11 juni 2015

Hun salarissen zijn historisch laag, een vast contract is zeldzaam, maar gelukkig krijgen hoogopgeleide starters weer iets sneller een baan. Academici profiteren meer van het economisch herstel dan hbo’ers.

Auteurs: Ruud Deijkers en Arthur van Leeuwen

Vooralsnog is het meer geloven dan zien. Overal klinken optimistische verhalen over een aantrekkende economie, maar op de harde werkvloer gaat het zo vlot niet. De positie van pas afgestudeerden aan hogescholen en universiteiten op de arbeidsmarkt is in elk geval niet verslechterd sinds een jaar geleden. En zowaar, er gloren enkele kleine lichtpuntjes.

Het goede nieuws is dat afgestudeerde academici minder lang naar een baan zoeken dan een jaar geleden. Gemiddeld doen ze er vijf maanden – een maand korter – over om een baan op het niveau van hun diploma te bemachtigen. Hbo’ers lukt het in vier maanden, ongeveer gelijk aan vorig jaar. Dat wijst wellicht al op betere tijden.

Nog een meevallertje. Na het historische dieptepunt een jaar geleden – het salaris was toen terug op het niveau van 1999 – krijgen hbo’ers en academici weer iets beter betaald. Voor hbo’ers ligt het gemiddelde nu op 2.000 euro bruto per maand, 75 euro meer.

Academici komen uit op 2.600 euro bruto per maand – 50 euro erbij. Maar: dat is een gemiddelde, de verschillen per opleiding zijn groot. Vraag is of de uitersten van slecht en goed betaald elkaar ooit weer naderen zoals na de vorige recessie.

Gemengde berichten zijn er als het om de werkloosheid gaat: van de pas afgestudeerde academici die beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt is na anderhalf jaar nog 5 procent werkloos. Dat is beter dan de 7 procent van een jaar geleden. Bij de hbo’ers bleef het aandeel werklozen met 7 procent gelijk.

In de wetenschap dat het percentage werklozen van de hele beroepsbevolking in het eerste kwartaal van 2015 rond de 7,5 procent lag, is duidelijk dat het hbo-diploma niet meteen een exclusieve entree op de arbeidsmarkt betekent. Wel steekt het werkloosheidscijfer voor hoogopgeleiden van alle generaties bij elkaar, 4 procent, nog altijd gunstig af tegen dat van de rest.

Dat afgestudeerden niet een-twee-drie een baan bemachtigen, blijkt ook uit het nog altijd groeiende aantal sollicitatiepogingen voordat het raak is. Hbo’ers solliciteren gemiddeld 22 keer, academici 18 keer. Bijna de helft van de academici had op het moment van enquêteren nog zijn eerste baan. Eén op de vijf, zowel hbo’ers als academici, was al in een derde baan beland.

Een groot probleem, vinden afgestudeerden zelf, is de geringe kans op een vast contract. Rond 2000 had ruim 60 procent van de afgestudeerden een vaste baan te pakken, nu is dat gedaald tot 24 procent. En die trend zet verder door.

Omslagpunt

Het jaar 2014 markeert voor afgestudeerden zo op zijn gunstigst een omslag naar betere tijden. Waarbij hbo’ers meer moeite hebben om snel aan een goede baan te komen dan academici. Dat blijkt uit het jaarlijkse onderzoek Studie & Werk van Elsevier en onderzoeksinstituut SEO Economisch Onderzoek.

Begin 2015 zijn bijna 6.000 afgestudeerden ondervraagd, gemiddeld anderhalf jaar na het behalen van hun diploma. Kernvragen van het onderzoek zijn hoelang afgestudeerden zoeken naar een baan op het niveau van het diploma, wat ze verdienen, en wat de kans is op een vast contract.

Het overzicht ‘Met welke studie sta je sterk’ laat zien hoe afgestudeerden van 110 veelgekozen opleidingen aan hogescholen en universiteiten ervoor staan. In het hbo bieden elektrotechniek, informatica, werktuigbouwkunde en zee- en luchtvaart de beste kansen.

Daarnaast hebben de afgestudeerden van andere techniekopleidingen en opleidingen als bedrijfseconomie en accountancy een prima uitgangspositie. Ook de lerarenopleidingen doen het goed, op de pabo’s na.

Zwak staan enkele ‘sociale’ opleidingen als culturele en maatschappelijke vorming, social work, maatschappelijke dienstverlening en pedagogiek. Ook populaire opleidingen als commerciële economie en communicatie geven matige perspectieven. Zoals elk jaar is bij de kunstopleidingen de arbeidsmarkt niet bepaald het eerste waaraan ook de studenten zelf denken.

Bij de academici staan afgestudeerden constructiestudies, econometrie, fiscaal recht en wiskunde het sterkst. Daarnaast is er een rijtje opleidingen die eveneens een springplank vormen, onder meer elektrotechniek, fiscale economie en informatica.

Het kan nauwelijks nieuws zijn dat opleidingen geesteswetenschappen een zwakke uitgangspositie bieden, zoals archeologie, kunstgeschiedenis, kunst- en cultuurstudies. Van de sociale wetenschappen had culturele antropologie nooit een sterke positie, maar ook psychologen en pedagogen staan er weinig florissant voor. Bij de bèta’s steken de biologen in negatieve zin af.

Een nadere analyse wijst uit wat dit in de praktijk betekent. Hbo’ers met een alfa-opleiding, zoals journalistiek, communicatie, informatiestudies en lerarenopleidingen in de talen doen er ruim twee maanden langer over om een baan te vinden dan afgestudeerden techniek, informatica en medische opleidingen. De afgelopen jaren is dat verschil alleen maar groter geworden.

De salarissen onderstrepen dat verschil nog eens extra. In de techniek zijn de verdiensten gemiddeld het hoogst, tussen de 2.500 en 3.000 euro bruto per maand. In de gezondheidszorg is het beeld gevarieerd, van ruim 3.500 euro voor de verloskundige tot 1.825 euro voor de ergotherapeut. De gamma’s in de maatschappelijke hulpverlening en vooral de alfa’s blijven dikwijls ver onder het gemiddelde steken.

Bij de academici is een vergelijkbaar patroon zichtbaar. Ook daar doen alfa’s en gamma’s er ruim twee maanden langer over om een baan te vinden dan medici en bèta’s. Aan het salarisfront zijn de verschillen eveneens aanmerkelijk. De medici verdienen gemiddeld verreweg het meest, met zoals alle voorgaande jaren de tandarts aan kop à 5.450 euro, en artsen – nog niet gespecialiseerd – met 3.100 daarachter.

Zij zitten op ongeveer hetzelfde salarisniveau als fiscaal juristen, economen en econometristen. Terwijl heel wat afgestudeerden in de geesteswetenschappen niet eens het gemiddelde salaris van een hbo’er halen.

De beloningsverschillen tussen academici zijn groter dan die tussen hbo’ers. Met een verontrustende tendens. Voor alle groepen afgestudeerden gold dat het reële inkomen, dus gecorrigeerd voor onder meer de inflatie, achteruit kachelde. Maar nu de recessie ten einde is, blijkt dat in de gezondheidszorg de salarissen weer bijtrekken. Voor de alfa’s en gamma’s is dat helaas niet het geval: hun reële inkomen blijft sinds 2011 gevangen in een dalende lijn.

Onvermijdelijk zijn de verschillen in de werkloosheidscijfers. Van de alfa’s en gamma’s uit het hbo is gemiddeld 8 procent na anderhalf jaar nog werkloos, tegen slechts 4 procent van de bèta’s. Afgestudeerden culturele en maatschappelijke vorming, communicatie en toegepaste psychologie voeren met 15 procent de lijst aan.

De alfa’s van de universiteiten zijn extreem afhankelijk van de conjunctuur, van hen zit 7 procent onvrijwillig zonder baan. Afgestudeerden internationaal en Europees recht spannen de kroon met 17 procent, gevolgd door de biologen met 14 procent werklozen.

Hoe zien hbo’ers en academici zelf de toekomst? Hun verwachtingen lopen netjes in de pas met hun eerste ervaringen op de arbeidsmarkt. Een veelgebruikte maat om vertrouwen te meten is de vraag hoe groot zij de kans schatten om binnen een half jaar dezelfde baan te bemachtigen mochten zij worden ontslagen. Voor het eerst in drie jaar zijn ze weer wat positiever gestemd.

Daarnaast is gevraagd hoeveel zij over vijf jaar denken te verdienen. Dat is iets meer dan de taxaties een jaar geleden, maar op langere termijn heeft lichting na lichting de tering naar de nering gezet. In 2002, een jaar van hoogconjuctuur, dachten de academici nog aan een bruto maandsalaris van dik 5.000 euro, nu aan ruim 1.000 euro minder. De hbo’ers stelden hun optimisme bij van ruim 4.000 naar ruim 3.000 euro.

Spijtoptanten

Elk jaar krijgen afgestudeerden de vraag of ze spijt hebben van hun studiekeuze. Gemiddeld had één op de vijf liever een andere opleiding gekozen. Met als voornaamste argument dat ze op hun vakgebied geen baan kunnen krijgen. Onder hbo’ers zijn de meeste spijtoptanten te vinden bij culturele en maatschappelijke vorming – meer dan de helft – en onder academici bij criminologie.

Daarnaast is ook gevraagd waarom ze ooit hun studie hadden gekozen. Voor twee van de drie gaf de doorslag dat de studie ‘interessant leek’. Voor slechts 7 procent was de kans op werk het eerste motief.

Voor studenten en vooral scholieren die na de zomer hun studie beginnen, luidt de boodschap dus: doe wat je interessant vindt, kies wat bij je talenten past. Maar houd beter dan deze spijtoptanten in het oog wat je kansen zijn op de arbeidsmarkt. Want de studiekeuze van nu is straks je scherprechter.

Elsevier nummer 24, 13 juni 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.