economie

Joris Luyendijk laat hoofdoorzaak bankencrisis onderbelicht

Door Remko Nods - 16 juni 2015

Joris Luyendijk schetst in zijn boek een bij vlagen onjuist of karikaturaal beeld van de financiële sector. Banken moeten risico’s nemen, en die vervolgens goed managen. Daar gaat het vaak mis.

Het is vaak interessant om te zien wat eruit komt als een intelligente leek zich verdiept in een onbekende wereld. De wiskundige Martin Pikaart, die zich onderdompelde in de Nederlandse pensioensector, schreef er met De pensioenmythe een verrassend goed boek over, dat menig actuaris nieuwe inzichten opleverde.

Antropoloog en arabist Joris Luyendijk toog als een soort Kuifje naar de City in Londen, waar hij sprak met bijna tweehonderd bankiers en toezichthouders. Opvallend vaak waren zijn gesprekspartners uitgerangeerde zakenbankiers, die de rancune jegens hun voormalige werkgever nauwelijks konden verbergen.

Voordat Luyendijk naar Londen afreisde, vroeg hij in Amsterdam een aantal niet-ingewijden wat ze eigenlijk wilden weten
van de financiële sector. Dit kreeg hij als voorspelbare antwoord: ‘Hoe kunnen banken, net gered met belastinggeld, nog bonussen uitbetalen?’ De vraag stellen, is hem beantwoorden. Dat moet natuurlijk niet kunnen.

Mores

Toch is het goed dat het boek is geschreven, ook al hebben ingewijden weinig nieuws in Luyendijks boek gelezen. ‘Allemaal bekend,’ zei een van de weinige zakenbankiers die nog in Nederland actief zijn. Zij kennen de mores. De excessief lange werkdagen, de hire and fire-cultuur, waarin arrogante en bikkelharde types de beste kans hebben om door te dringen tot het selecte groepje van circa 15.000 bankiers, die honderdduizenden Britse ponden per jaar aan bonussen binnen harken.

Niet alleen ingewijden weten dat de kredietcrisis, die zich al in de zomer van 2007 aankondigde, het gevolg was van de door de Amerikaanse overheid gestimuleerde hypotheekverstrekking aan mensen zonder baan, inkomen en bezit. Het immense risico dat werd genomen, kon toch worden gespreid over honderden miljoenen beleggers, wereldwijd? Dat ging goed mis.

Ingewijden weten ook dat de eurocrisis in feite een bankencrisis was. Duitse en Franse banken hadden zich volgepropt
met staatsobligaties van perifere eurolanden. De voormalige president van de Europese ­Centrale Bank, Jean-Claude Trichet, kwam twee keer per jaar naar de vergadering van de ­Europese ministers van Financiën, en toonde daar een overzicht van de roekeloze kredietverlening aan Griekenland en Italië.

‘Daar heb je Trichet weer met zijn spreadsheet,’ mompelden de toehoorders dan. Totdat het in 2011 faliekant misging. De koersen van Griekse, Italiaanse, Spaanse en Portugese staatsobligaties stortten in. Europees bankentoezicht was er toen, helaas voor de belastingbetaler, nog niet.

Ingewijden weten exact welke ontwikkelingen banken kwetsbaar maakten. Banken gingen op grote schaal beleggen – wel voor ‘eigen rekening’, maar niet met eigen geld: 3 of 4 procent van hun balanstotaal bestond uit eigen vermogen. De rest was van spaarders, obligatiebeleggers en andere banken.

Sommige Duitse en Franse banken hadden bijna de helft van hun balanstotaal belegd in staatsobligaties van perifere eurolanden. Ze werden erg kwetsbaar en konden snoeihard worden geraakt door negatieve ontwikkelingen op de financiële markten. Het risicoprofiel van een bank kon door een onverwachte gebeurtenis op de financiële markten in 5 minuten dramatisch verslechteren. Alleen met uitmuntend risicomanagement is zo’n ramp te voorkomen.

Crisis

Bij vlagen is Luyendijks boek vermakelijk, maar zoals hij zelf ook toegeeft, dringt hij niet echt door tot de kern van het bankbedrijf. Hij wijt de recente financiële crisis en bankencrises hoofdzakelijk aan gebrek aan regulering en aan perverse beloningsstructuren. Politici verwijt hij dat ze na de crisis vrijwel niets hebben gedaan om een mogelijke herhaling te voorkomen.

Dat laatste is aantoonbaar onjuist. En in zijn analyse blijft de kern van de problemen, en de hoofdoorzaak van alle bankencrises, onderbelicht: falend risicomanagement, niet zozeer in de lagere echelons, maar in de boardrooms van de banken.

Ook dat is geen nieuws. Bankencrises zijn van alle tijden. In West-Europa hadden we toevallig al vijftig jaar geen bankencrisis meer meegemaakt. Elders gebeurde het geregeld. Ook in de Verenigde Staten. Denk aan de spaarbanken, die begin jaren tachtig veel te veel geld uitleenden aan Latijns-Amerikaanse overheden. De uiteindelijke schade bedroeg 500 miljard dollar – een enorm bedrag in die tijd, dat door de Amerikaanse belastingbetaler is opgebracht.

‘Banken nemen risico’s op kosten van de rest van de samenleving,’ schrijft Luyendijk. Dat is de helft van het verhaal. Banken moeten risico’s nemen. Daaraan ontlenen ze hun bestaansrecht. Een bank moet die risico’s vervolgens wel goed managen, door ze met ingewikkelde financiële instrumenten af te dekken op de financiële markten of te spreiden over andere banken en beleggers.

Een bank die geen risico’s wil, durft of kan nemen, wordt vaak een ‘zombiebank’ genoemd. Zo’n bank heeft geen bestaansrecht, kan beter worden ontmanteld of gedwongen  nieuw kapitaal aan te trekken.

Stroppen

In de Verenigde Staten, en tamelijk laat ook in Europa, zijn banken na de crisis gedwongen nieuw kapitaal aan te trekken. Ze staan er financieel veel beter voor. Hun kapitaalbuffers, die nodig zijn om stroppen op te vangen, zijn ongeveer verdubbeld. Grote Europese banken zijn vorig jaar door de toezichthouders doorgelicht, en aan een zware stresstest onderworpen. Luyendijk gaat hier bijna geheel aan voorbij.

Luyendijk sprak vooral met zakenbankiers uit de City. Hun wereld is niet vergelijkbaar met de Nederlandse bancaire sector. Hij plakt zijn bevindingen en conclusies vervolgens wel erg gemakkelijk op ‘gewone’ consumentenbanken. Zakenbanken nemen meer, en andere risico’s. Ze handelen voor eigen rekening in effecten, begeleiden fusies en overnames, garanderen de plaatsing van aandelen tijdens emissies en beursintroducties.

Ze ontwerpen ingewikkelde financiële instrumenten met heel specifieke risico’s, en verkopen die aan doorgaans professionele beleggers en banken die er behoefte aan hebben.

Deze bankiers zijn ‘a-moreel’, constateert Luyendijk terecht. Discussies over goed of kwaad komen totaal niet voor in de City. Dat vinden zakenbankiers ‘onprofes­sioneel’. Winst en aandeelhouderswaarde zijn de enige toetsstenen. In de jaren tachtig waren alle zakenbanken nog eigendom van de zakenbankiers zelf, en was het risicomanagement perfect in orde, zelfs bij de Amerikaanse zakenbanken Lehman Brothers en Goldman Sachs. De partners namen immers risico’s met hun eigen geld.

Risico’s

De problemen met falend ­risicomanagement ontstaan meestal pas als zakenbankiers worden overgenomen door een grote, voor het financiële systeem relevante consumentenbank. Of als de zakenbankiers hun eigen bank naar de beurs brengen. Dan gaan ze namelijk risico’s nemen met het geld van anderen – van anonieme beleggers.

Het risicomanagement wordt dan minder stringent, omdat het nemen van grotere risico’s de kans biedt op hogere winsten. Als er vervolgens perverterende beloningsstructuren worden opgetuigd, waarbij de zakenbankiers wel meedelen in de hoge winsten, maar geen pijn voelen als het verkeerd afloopt, dan gaat het voorspelbaar mis.

Luyendijk rekent in zijn boek overigens af met de populaire stelling dat zakenbankiers allemaal ‘graaiers’ zijn, die alleen maar uit zijn op persoonlijke welvaart. Hij concludeert dat het over het algemeen ‘gewone mensen’ zijn. ‘Hun drijfveer is niet hebzucht, maar status en geldingsdrang.’ De hoogte van het inkomen markeert hun status. Deze constatering komt veel dichter bij de waarheid dan wat de critici van banken sinds 2008 voortdurend roepen.

Gouden parachute

Luyendijk stelt terecht een misstand aan de kaak: de topbestuurders van de zakenbanken krijgen vaak hoge variabele beloningen als het goed gaat, en landen met een gouden parachute als het misgaat. Terwijl gewone medewerkers van de bank zonder enige ontslagvergoeding kunnen gaan.

Als het met een grote systeemrelevante bank misging, kreeg de belastingbetaler tot voor kort automatisch de rekening. Aandeelhouders betaalden ook een deel van de rekening, maar beleggers die obligaties van de bank hadden gekocht, bleven buiten schot. Vandaar dat politici en toezichthouders hebben besloten om de rekening ook bij obligatiebeleggers te leggen. Daarnaast werken ze aan een scheiding tussen systeemrelevante consumentenbanken en niet-systeemrelevante zakenbanken. Deutsche Bank en HSBC willen hun zakenbank­activiteiten helemaal afstoten.

In Europa en de Verenigde Staten is veel gedaan door politici en toezichthouders, terwijl Luyendijk suggereert dat er niets is veranderd. ‘Flink hogere kapitaalbuffers zouden banken direct veel veiliger maken, maar zelfs zo’n relatief simpele maatregel is door de mondiale lobby van banken met succes getorpedeerd,’ schrijft Luyendijk in zijn slothoofdstuk. In werkelijkheid zijn kapitaalbuffers door politici en toezichthouders fors verhoogd, en worden voor systeemrelevante banken eind 2018 nog verder verhoogd.

Bankiers en economen waarschuwen juist dat het steeds verder opschroeven van buffereisen niet gratis is. Bufferkapitaal is schaars: beleggers eisen een hoog rendement op risicodragend bufferkapitaal dat ze aan banken verstrekken. Dus kredieten en hypotheken worden duurder en minder snel verstrekt als grotere buffers nodig zijn. Dat zet een rem op economische groei.

Obligatiebeleggers, veelal pensioenfondsen en verzekeraars, betalen nu dus ook mee als een bank in problemen komt. Als de buffer van een bank onder een bepaalde kritische grens daalt, worden de obligaties die de bank uitgaf, automatisch omgezet in aandelenkapitaal, dat kan worden gebruikt om stroppen op te ­vangen. Dit mechanisme voorkomt dat een bank in problemen meteen bij de overheid moet aankloppen.

Regels

Bonussen van bankiers zijn in Europa gemaximeerd op 100 procent van hun vaste salaris, in Nederland op 20 procent. Effectenhandel voor eigen rekening is bij de systeemrelevante banken nagenoeg geheel aan banden gelegd, waardoor ze aanzienlijk minder kwetsbaar worden voor ontwikkelingen op financiële markten. Er is een lawine van zeer gedetailleerde regels over de financiële sector heen gekomen.

Bankiers en hun belangenclubs klagen steen en been over de regeldrift van politici en toezichthouders. Luyendijk schrijft, een tikkeltje demagogisch, dat de cockpit van de financiële wereld leeg is. In werkelijkheid wemelt het er van de mensen die allemaal achter de stuurknuppel willen zitten.

Griekenland

‘Kan het nog een keer gebeuren?’ vraagt Luyendijk zich, bijna wanhopig, af. Dus begint, en eindigt, Luyendijk zijn boek met zijn ‘lege cockpit’-metafoor. Banken kunnen gewoon hun gang gaan. Niemand die ze in de gaten houdt. Daarmee schetst hij een karikatuur van de nog altijd strengst gereguleerde sector van de wereldeconomie.

Of er ooit weer een bankencrisis komt? Dat is wel voor 99,9 procent zeker. Bankencrises zijn van alle tijden. Als het lang goed gaat met de banken, raken bankbestuurders blind voor de risico’s. Toezichthouders kunnen daaraan helaas weinig veranderen. Niet eens zozeer omdat banken hun toezichthouder bewust slecht informeren, of op het verkeerde been zetten.

Een ervaren Britse toezichthouder zei tegen Luyendijk: ‘Het echte gevaar is niet dat het management dingen voor ons verborgen houdt. Het echte gevaar is dat het management zelf niet weet wat de risico’s zijn.’ Toezichthouders kunnen wel waarschuwen voor nieuwe risico’s en dreigende zeepbellen. Dat doen ze ook geregeld.

In China cumuleren de risico’s door kredieten aan kwetsbare bedrijven en projectontwikkelaars, en de financiering van nutteloze infrastructuur. In de eurozone is het zwakke fundament onder de euro waarschijnlijk het grootste risico dat de Europese banken moeten zien te managen.

En als Griekenland overmorgen uit de eurozone stapt, hebben we met 100 procent zekerheid een acute bankencrisis in Athene.

Elsevier nummer 25, 20 juni 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.